948 research outputs found

    Hierarchical 3D diffusion wavelet shape priors

    No full text
    In this paper, we propose a novel representation of prior knowledge for image segmentation, using diffusion wavelets that can reflect arbitrary continuous interdependencies in shape data. The application of diffusion wavelets has, so far, largely been confined to signal processing. In our approach, and in contrast to state-of-the-art methods, we optimize the coefficients, the number and the position of landmarks, and the object topology - the domain on which the wavelets are defined - during the model learning phase, in a coarse-to-fine manner. The resulting paradigm supports hierarchies both in the model and the search space, can encode complex geometric and photometric dependencies of the structure of interest, and can deal with arbitrary topologies. We report results on two challenging medical data sets, that illustrate the impact of the soft parameterization and the potential of the diffusion operator.Association française contre les myopathies (DTIMUSCLE project

    Tsunami’s langs de Nederlandse Noordzeekust

    No full text
    Korte notitie over het risico van een tsunami en een meteotsunami langs de Nederlandse kust

    Kwelsloten langs de Twenthekanalen

    No full text
    Langs de oevers van de Twenthekanalen zijn sinds 1988 natuurvriendelijke oevers aangelegd. Op plaatsen waar het gemiddeld kanaalpeil hoger ligt dan het waterpeil in het achterliggende land, onstaat kwel. Om dit kwelwater af te voeren zijn parallel aan het kanaal sloten gegraven. Er is weinig bekend over hoe het met deze kwelsloten nu gesteld is. Het doel van deze korte inventarisatie is kennis verkrijgen van de natuurlijk rijkdom van de (kwel)sloten in relatie tot inrichting en beheer. Een vergelijking met de natuurvriendelijke oevers langs het kanaal is gewenst. Op grond van deze kennis kan beoordeeld worden of (kwel)sloten langs de Twenthekanalen meer aandacht behoeven. Conclusie Over het algemeen blijkt dat de onderzochte kwelsioten zeer soortenrijk zijn. Er worden dit jaar maar liefst 10 soorten Fonteinkruiden aangetroffen. Nog een andere soort, Schedefonteinkruid, groeit in het kanaal. Het voorkomen van elf soorten fonteinkruiden tekent de waarde van dit gebied. De meeste waardevolle vegetaties die in de periode 1991-1993 zijn aangetroffen, zijn nu ook nog langs het kanaal te vinden. Een aantal sloten is van lage ecologische kwaliteit, maar deze kwaliteit kan nog sterk verbeteren door het beheer aan te passen. Ook kan, door in overleg te treden met de aangrenzende boeren, de slootkant misschien ontzien worden of een bufferzone gerealiseerd worden. Op de plekken die bezocht zijn is het beheer soms iets te extensief voor wat betreft de baggerfrequentie (opname 2 en opname 6). Op de meeste plaatsen is het beheer uitstekend afgestemd op de natuurwaarde. Een paar sloten zijn iets te rigoreus geschoond (locaties E en G). De ecologische kwaliteit van de watervegetatie is in vrijwel alle onderzochte kwelsioten hoger dan die van de piasbermen langs het kanaal. De maatregelen met betrekking tot kwelsioten zoals voorgesteld in "De Twenthekanalen natuurvriendelijk" zijn nog niet uitgevoerd. Aanbevolen wordt om met grote zorg om te gaan met het beheer van kwelsioten. In een aantal sloten is het beheer uitstekend afgestemd op de natuurwaarde en dient dit zo te blijven. Wel kan de schoningsfrequentie omlaag (1x per twee jaar) in sloten die niet schouwplichtig zijn. Op een aantal andere plaatsen kan het schonen nog iets verbeterd worden om de hoge ecologische waarde te realiseren. Dit betreft de sloten van opname 2 en 6, waar gefaseerd schonen gewenst is en de sloten die nu af en toe iets te rigoreus geschoond worden. Gezien de grote waarde van de onderzochte kwelsioten wordt aanbevolen om ook de resterende kwelsioten langs te lopen en aan te geven op een kaart welke sloten van nu hoge ecologische waarden bezitten en welke van minder waarde zijn. Daarbij dient dan ook aangegeven te worden of en hoe deze waarde behouden c.q. verhoogd kan worden. Bij de resterende verbreding van het kanaal en de aanleg van natuurvriendelijke oevers dient rekening gehouden te worden met de grote ecologische waarde van de kwelsioten. Waar mogelijk kan deze waarde zelfs nog vergroot worden door overdimensionering (zie Grontmij 1994)

    Inventarisatie van natuurontwikkelingsprojecten langs buitenlandse rivieren

    No full text
    Dit rapport presenteert de resultaten van een inventarisatie van natuurontwikkelingsprojecten langs buitenlandse rivieren. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat RIZA te Arnhem in het kader van het onderzoeksprogramma RIV*MEANDER om de in het buitenland opgedane kennis over natuurontwikkeling langs de beneden- en middenloop van rivieren te inventariseren. De aandacht ging vooral uit naar de morfologische reactie van de rivier op ingrepen en naar de interactie tussen morfologie en ecologie. De aanleg van nevengeulen genoot een bijzondere belangstelling. De nadruk in deze inventarisatie ligt op grotere, vrij stromende rivieren. Regelmatig zijn echter ook (verwijzingen naar) herstelprojecten langs gestuwde rivier-trajecten en kleinere waterlopen opgenomen. In een eerste ronde zijn informatiebronnen opgespoord door personen en instanties te raadplegen (zie hoofdstuk 13) en literatuurbestanden uit te kammen. Tevens is gezocht op het internet. Na evaluatie van de gevonden gegevens zijn de projectbeschrijvingen in de hoofdstukken 2 t/m 10 opgesteld. Per land en per rivier wordt een overzicht gegeven van de lopende dan wel geplande natuurontwikkelings- en herstelprojecten. Het overzicht pretendeert geen volledigheid. Indien voorhanden zijn per rivier/ project o.a. de volgende gegevens opgenomen: - karakterisering van de rivier (stroomgebied; afvoer, grind/zand rivier, verhang; mate van regulering etc.); - locatie van project; - doelstelling van project; - beschrijving van ingreep/ maatregel; - plan / in uitvoering / uitgevoerd, jaar van uitvoering; - wordt er gemonitord en zo ja wat? - zo mogelijk: morfologisch en ecologisch effect tot nu toe

    Predicting Activation Across Individuals with Resting-State Functional Connectivity Based Multi-Atlas Label Fusion

    No full text
    The alignment of brain imaging data for functional neuroimaging studies is challenging due to the discrepancy between correspondence of morphology, and equivalence of functional role. In this paper we map functional activation areas across individuals by a multi-atlas label fusion algorithm in a functional space. We learn the manifold of resting-state fMRI signals in each individual, and perform manifold alignment in an embedding space. We then transfer activation predictions from a source population to a target subject via multi-atlas label fusion. The cost function is derived from the aligned manifolds, so that the resulting correspondences are derived based on the similarity of intrinsic connectivity architecture. Experiments show that the resulting label fusion predicts activation evoked by various experiment conditions with higher accuracy than relying on morphological alignment. Interestingly, the distribution of this gain is distributed heterogeneously across the cortex, and across tasks. This offers insights into the relationship between intrinsic connectivity, morphology and task activation. Practically, the mechanism can serve as prior, and provides an avenue to infer task-related activation in individuals for whom only resting data is available. Keywords: Functional Connectivity, Cortical Surface, Task Activation, Target Subject, Intrinsic ConnectivityCongressionally Directed Medical Research Programs (U.S.) (Grant PT100120)Eunice Kennedy Shriver National Institute of Child Health and Human Development (U.S.) (R01HD067312)Neuroimaging Analysis Center (U.S.) (P41EB015902)Oesterreichische Nationalbank (14812)Oesterreichische Nationalbank (15929)Seventh Framework Programme (European Commission) (FP7 2012-PIEF-GA-33003

    Wilgen in natuurvriendelijke oevers langs de Waal

    No full text
    In het kader van onderzoek naar natuurvriendelijke oeverbescherming langs de grate rivieren worden door het RIZA (afdelingen Biologie en Fysica) de mogeIijkheden van de aanplant van wilgen bestudeerd. In april 1990 zijn daartoe op drie lokaties langs de Waal, in kribvakken ter hoogte van Gendt, Druten en Gameren, wilgenstekken aangeplant. In deze voortgangsrapportage worden resultaten weergegeven van metingen die in 1990 verricht zijn. In de kribvakken worden zowel biologische als fysische metingen gedaan. De fysische metingen in het eerste jaar omvatten vooral het vastleggen van de uitgangssituatie. In dit werkdocument wordt daarnaast de verder te volgen werkwijze uiteengezet. De gebruikte soorten waren Katwilg (Salix vbninalis), Bittere Wilg (Salix purpurea) en Grauwe Wilg (Salix cinerea). Het plantmateriaal bestond uit bewortelde stekken van ca. 30 cm hoog. In 1990 is 83% van de Katwilgen, 59% van de Bittere Wilgen en 43% van de Grauwe Wilgen aangeslagen. Het succes van vestiging van wilgen, die geplant zijn in de kribvakken bij Druten en Gameren, was groter dan dat van wilgen, die ter hoogte van Gendt zijn aangeplant. De belangrijkste oorzaken voor uitval waren stroming, uitdroging en begrazing en vertrapping door vee. Dit laatste doordat vee zich via een onvoldoende functionerende afrastering in de beplanting kon begeven. Uitval door uitdraging betrof voornamelijk Bittere- en Grauwe Wilg, in de hogere delen van de kribvakken. Voor de lagere delen waren golfslag en stroming gedurende de eerste fase van de vestiging de voornaamste oorzaken voor uitval. Een jaar na het aanplanten van de wilgen is gebleken dat het mogelijk is wilgen aan te planten in het het morfologisch en hydrologisch extreme milieu van kribvakken langs de Waal. De planten die zich weten te vestigen gedijen goed en zijn in staat een periode van hoogwater tijdens het groeiseizoen te overleven. Voorwaarde voor een geslaagd verder verloop blijft echter het weren van het vee uit de aanplant

    De basispeilen langs de Nederlandse kust: Eindverslag

    No full text
    Deze nota is het eindverslag van een hernieuwd onderzoek naar de basispeilen langs de Nederlandse kust. Kort na de stormramp van 1953 stelde de Minister van Verkeer en Waterstaat de Deltacommissie in met als taak een plan op te stellen ter beveiliging van het land tegen overstroming. In haar eindverslag geeft de Deltacommissie voor een groot aantal peilmeetstations langs het Nederlandse kustgebied en de estuaria de zogenaamde basispeilen. Dit zijn de hoogwaterstanden met een overschrijdingsfrequentie van 1/10.000 per jaar oftewel een kans van 1 % per eeuw. In verband met de onzekerheden in de basispeilen, in het bijzonder die voor de Westelijke Waddenzee in verband met de afsluiting van de Zuiderzee, beval de Deltacommissie aan verder te gaan met het onderzoek naar de hoogte van de basispeilen, op het moment dat voldoende lange meetreeksen ter beschikking zouden staan. De belangrijke uitgangspunten gehanteerd bij het onderhavige onderzoek zijn: - Hoek van Holland blijft een centrale rol vervullen in de hele analyse. De veiligheid van Centraal Holland hangt hier mee samen. - Met behulp van een analyse van de samenhang in extreem hoge waterstanden langs de kust op basis van de waarnemingen, statistische en fysische extrapolatie worden vergelijkbare peilen in de verschillende benaderingswijzen meegewogen in het eindresultaat. Het hernieuwde statistische onderzoek is in 1984 begonnen in een samenwerkingsverband tussen experts van het Centrum voor Wiskunde en Informatica (het vroegere Mathematisch Centrum), het KNMI en de Rijkswaterstaat. Het gaat hierbij om een analyse van de waarnemingen in 5 hoofd-stations, die onafhankelijk van elkaar zijn beschouwd, met als doel bij de huidige stand van de statistische en meteorologische kennis per station een lo nauwkeurig mogelijke uitspraak te doen over de stormvloedstanden behorende bij zeer kleine overschrijdingskansen. De stations zijn Vlissingen, Hoek van Holland, Den Helder, Harlingen en Delfzijl. Tijdens de eindfase van het onderzoek kwam de veiligheid van de dijkring Terschelling in de belangstelling. Daarom is bij de uitwerking en presentatie zoveel mogelijk ook het peilmeetstation West-Terschelling betrokken. De basis van het onderzoek naar de samenhang langs de kust wordt gevormd door wiskundige fysische modellen. Hierbij zijn stormvelden boven de Noordzee gesimuleerd die basispeilomstandigheden opleveren. Voor de uiteindelijke basispeilen langs de Nederlandse kust wordt een verband gelegd met het basispeil voor Hoek van Holland. Langs twee wegen is deze samenhang bepaald. In de eerste plaats door een analyse van de relatie met Hoek van Holland in het gebied van de waarnemingen. Een vergelijking vindt plaats met wat de Deltacommissie vond voor de situatie in de jaren vijftig. In de tweede plaats door middel van genoemd modelonderzoek. Langs deze weg is een zo volledig mogelijke afweging gemaakt van alle beschikbare informatie, zowel vanuit de statistiek van de afzonderlijke meetreeksen als vanuit de fysica van het systeem stormveld-Noordzee. Alle resultaten worden gewogen met behulp van de geschatte onzekerheden. Vaststelling van de aldus bepaalde nieuwe basispeilen is thans verantwoord gezien de nieuwe informatie die thans beschikbaar is

    De sedimenthuishouding van kribvakken langs de Waal

    No full text
    Het langjarig gedrag van kribvakstranden, de invloed van scheepsgeïnduceerde waterbeweging en morfologische processen bij hoge en lage afvoeren. Het ziet er naar uit dat erosie door scheepvaart bij lage-gemiddelde afvoeren, en sedimentatie bij hoge afvoeren elkaar op een termijn van tientallen jaren in evenwicht houden. Deze hypothese is in deze studie onderzocht. Zowel erosie bij lage tot gemiddelde afvoeren als sedimentatie bij hoge afvoeren zijn onderzocht en gekwantificeerd. Hiervoor is de bodemligging van 23 kribvakstranden langs de Waal gedurende 4 jaar periodiek gemeten, met een onderscheid naar lage-gemiddelde afvoer en hoge afvoer processen. Daarnaast is de eroderende rol van scheepvaart in meer detailonderzocht door in kribvakken langs de Waal de water- en sedimentbeweging tijdens scheepspassages te meten en te relateren aan de eigenschappen van deze passages. Hiervoor zijn kunstmatige neurale netwerken toegepast

    Wind-, golf-, en stromingsgeïnduceerd sedimenttransport in kribvakken langs de Waal

    No full text
    Kribvakmetingen Druten/Ochten juli 1996 tot april 1997. Onderzoek naar de sedimenthuishouding van een viertal kribvakken langs de Waal. Het onderzoek betreft een studie naar de hydrodynamische invloed van scheepvaart op de sedimenthuishouding en de invloed van eolisch zandtransport op de sedimenthuishouding in vier kribvakken langs de Waal. Het onderzoek is in samenwerking met het RIZA, het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling uitgevoerd. De fluviatiele metingen zijn uitgevoerd in juni en juli 1996. Het eolisch meetprogramma is uitgevoerd in de periode juli 1996 tot april 1997
    corecore