12,275 research outputs found
Consumer responses to risk-benefit information about food
Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/
Blind in een gidsland: Over de bejegening van mensen met een visuele beperking in de Nederlandse verzorgingsmaatschappij, 1920-1990
Harinck, G. [Promotor]Dijk, J.J. van [Copromotor]Kennedy, J.C. [Copromotor
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Reststerkt
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven SBW reststerkte: Analyse Deltagootproeven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Steenzettinge
De dijk van de toekomst ?: Quick scan doorbraakvrije dijken
Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat presenteert eind dit jaar in het ontwerp Nationaal Waterplan de hoofdlijnen van het waterveiligheidsbeleid voor de 21e eeuw. Een van de vragen die voorligt is of de veiligheidsnormen aanpassing behoeven. Een andere vraag is hoe de gevolgen van een ramp te beperken zijn. Als onderdeel van deze discussie hebben verschillende partijen de vraag gesteld of het mogelijk is een dijk te maken die praktisch niet kan doorbreken, zodat een catastrofale overstroming is uitgesloten. Zo'n doorbraakvrije dijk neemt weliswaar meer ruimte in beslag en kost meer geld, maar daartegenover staat een groot voordeel: de dreiging van een overstromingsramp met enorme schade, slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting valt weg. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft gevraagd inzichtelijk te maken of het concept van doorbraakvrije dijken realistisch is: welke aanpassingen vereist het doorbraakvrij maken van onze dijken, hoeveel ruimte is daarvoor nodig en hoe hoog zijn de kosten? Deze vragen zijn op hoofdlijnen beantwoord via deze quick scan
Taluds van losgestorte materialen: Golfneerloop op statisch stabiele stortsteen taluds onder golfaanval
In dit verslag worden neerloopmetingen gepresenteerd en geanalyseerd welke zijn verkregen uit onderzoeken naar de statische stabiliteit van stortsteen taluds onder golfaanval. De analyse van deze proeven heeft geleid tot de relatie voor de relatieve neerloop die door 2% van de neerlopen wordt overschreden. Deze empirische relatie wordt beschreven aan de hand van dimensieloze parameters, welke zijn afgeleid van de in de onderzoeken gevarieerde grootheden. De relatieve neerloop wordt belnvloed door de volgende dimensieloze parameters : \u95 golfsteilheid (sm) \u95 taludhelling (cot alpha) \u95 doorlatendheid van de constructie (P) \u95 spectrumvorm (K) \u95 relatieve waterdiepte (h/Hs)Applied Geophysics and PetrophysicsHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Water tegen de dijk 1993: De toestand van de rivierdijken tijdens het hoogwater van december 1993
In december 1993 zijn in Rijn en Maas extreem hoge waterstanden voorgekomen. Bij Lobith steeg het water tot 16,39 meter boven NAP (25 december), bij Borgharen trad zelfs de hoogste afvoer van deze eeuw op met een bijbehorende waterstand van 45,90 meter boven NAP (22 december). Op de beide rivieren was tegelijkertijd sprake van een topafvoer. Dat kwam bijvoorbeeld bij het voorlaatste hoogwater in 1988 niet voor. Toen was er alleen sprake van een hoge Rijnafvoer. Door deze combinatie van topafvoeren werd van de rivierdijkbeheerders in het land van Maas en Waal in deze periode een zeer grote inspanning vereist. Het hoogwater heeft in het niet bedijkte gedeelte van Limburg voor veel wateroverlast gezorgd. In het bedijkte gedeelte van de Rijn, Waal, IJssel en Maas, waar zo'n 1500 kilometer dijk ligt, was er geen sprake van overstroming van de bandijken en schade op uitgebreide schaal achter of aan de dijk. Net als tijdens het hoogwater van maart 1988 is dit te danken aan de geringe windkracht en de gunstige windrichting die tijdens het hoogwater voorkwam. Daardoor is er geen golfoploop van betekenis geweest. Evenmin was er sprake van opstuwing vanuit de Noordzee en het IJsselmeer, hetgeen vooral van belang is geweest voor de waterstanden bij Kampen en Dordrecht.TAW/EN
Nadere verkenning Groene Dollard Dijk : een civieltechnische, juridische en maatschappelijke verkenning naar de haalbaarheid van een brede groene dijk en mogelijke kleiwinning uit de kwelders
In dit rapport worden de mogelijkheden voor een brede groene dijk langs de Dollard nader verkend. Zo’n brede groene dijk heeft een met klei en gras bekleed flauw buitentalud dat geleidelijk over gaat in de voorliggende kwelders. Door het flauwe talud en de dikke klei laag is geen asfalt of steenbekleding nodig. Een Groene Dollard Dijk is veilig en past goed in het Waddenlandschap. Wel neemt een brede groene dijk meer ruimte in beslag en is er meer klei nodig dan voor een traditionele dijk. Dit rapport schetst de civieltechnische aspecten, de kosten en de baten van de Groene Dollard Dijk, en de juridische implicaties van de implementatie van een brede groene dijk. Ook worden de eerste bevindingen gegeven van het proces waarin met eigenaren en beheerders van de kwelders wordt gezocht naar geschikte locaties voor kleiwinning. Tenslotte worden ervaringen met het (cyclisch) winnen van klei samengevat
Reststerkte van een dijk met steenzetting op de kleilaag, meetverslag deltagootprioeven SBW-reststerkte
(SBW), gefinancierd door Rijkswaterstaat, is een experimenteel onderzoek uitgevoerd naar de reststerkte van een dijk. Het doel van het onderzoek was het meten van de tijdsduur tussen het ontstaan van schade aan de steenzetting door golven, en het doorbreken van de dijk. Daartoe is een dijk in de Deltagoot van Deltares gebouwd, met een steenbekleding en kleilaag tot halverwege de buitenzijde en gras op klei daarboven. Voor het onderzoek is klei met gras gebruikt uit een bestaande dijk in Ferwert en klei vanonder een steenzetting (Oosterlandpolderdijk). Met een hydraulische kraan werden stalen bakken zonder bodem in de klei gedrukt, waarna de klei eromheen werd weggegraven en een stalen plaat eronder geschoven. De kleiblokken (van 2x2x0,8 m3) zijn vervolgens vervoerd naar de Deltagoot en in 'ongeroerde' staat aangebracht in de modelopstelling. Tijdens de proeven is eerste stap voor stap de golfhoogte verhoogd totdat schade aan de steenzetting ontstond. Vervolgens is met deze golfhoogte een aantal proeven uitgevoerd waarbij steeds na een bepaalde tijd golven het erosieprofiel is opgemeten. Als laatste deel van het onderzoek is de erosie gemeten bij een wat verlaagde waterstand. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van maart tot augustus 2010. In dit meetrapport zijn alleen de belangrijkste resultaten opgevoerd. Een uitgebreide analyse volgt in een apart verslag (2011).Reststerkt
Syneresis of curd
This study deals with the syneresis of curd. Rennet gels are primarily considered; some comparisons with acid milk gels are given.After curdling the milk, the curd tends to shrink; in other words, the network of aggregated paracasein micelles (PCM) will be under stress. If the curd is cut or - as was the case in our expirements - a curd surface is wetted, syneresis starts. The rate at which the whey is expelled depends on the pressure gradient in the whey and on the permeability of the network.In Chapter 2 the materials and methods generally used are described. Unless mentioned otherwise, standard conditions were used in the experiments. By standard conditions is meant: reconstituted skim milk with the saw dry matter content as the original milk, to which 500 ppm rennet was added; the temperature during the whole experiment was kept at 30 °C; no CaCl 2 was added.The endogenous syneresis pressure ( Ps) appeared to be very low, about 1 Pa. In Chapter 3 two methods are described which give an order of magnitude of the stresses involved. Moreover, the weight of the network can cause an additional pressure. The maximum pressure caused by the weight ( Pg) at a level hc below the interface is (ρ curd - ρ curd ) ghc ≈75hc Pa (hc in m).The permeability measurements are described in Chapter 4. Two methods were used; in both, the flow of whey through a vertical column of curd was measured as a function of head pressure. A problem is that the curd is deformed during the experiment. In the "tube" method, deformation is a function of the pressure gradient (d Pt /dx), the diameter of the tube holding the curd (d t ), and the rigidity of the gel. In the second method the "torsionflux" method, the deformation was adjustable. 'The tube method led to the following results.- The permeability is of the order of 10 -13m 2.- Permeability increases with time, which is ascribed to "microsyneresis", i.e. syneresis at local sites in the gel. The rate of increase is approximately constant.- The increase in permeability (d B /d t ) is higher for a higher pressure gradient or a wider tube; both lead to larger deformation of the curd.- The change of the permeability with time in the absence of deformation (d Be /d t ) was obtained by applying the head pressure at different times after addition of rennet. Shortly after clotting permeability increases fastest. Between 1 and 24 hd Be /d t was constant.- The permeability of curd made from ultrafiltered skim milk ( B ( i )) and its change with time (d B ( i )/d t ) were determined. Thisyielded the permeability as a function of concentration and time ( B ( i,t )).- The permeability also depends on temperature, CaCl 2 concentration, acidity, fat content and type of skim milk.- In acid milk geld permeability was of the same order of magnitude, but it hardly changed with time.The rheological behaviour of curd is discussed in Chapter 5. The dynamic measurments with the "Den Otter" rheometer show that the moduli G ' and G " kept increasing for a long time (~3 h) after rennet addition. From the dependence of G' and G" on the angular frequency it was deduced that G" is due to the relaxation of bonds and that the relaxation time is a few times 10 s.The instantaneous shear modulus ( G0 ) was determined as a function of protein concentration. The obtained relation can be explained in term of an only partly effective contribution of the casein to the network; this contribution being relatively smaller at lower concentrations. Also from the creep measurements it was concluded that the endogenous syneresis pressure was less than 10 Pa.If both permeability and pressure are known for all values of concentration (or relative remaining volume ( i )) and time ( t ), the syneresis can in principle be calculated. This is in the model described in Chapter 6, in which the equation of Darcy is combined with the equation of continuity. A numerical procedure is developed, for a one dimensional case; the syneresis of a thin slab.The pressure in the whey is the sum of the endogenous syneresis pressure ( Ps) and the pressure caused by the weight of the network ( Pg). For Ps( i ) and Pg( i ) some trial functions were considered.In Chapter 7 the syneresis of slabs is studied. The results of the experiments show that initially Γ= dlogΔH/dlog t is about 0.5. For t >0.5 h Γincreases to ~0.78. Γis independent of the original thickness of the slab ( H0 ) during a certain period (penetration period). The length of this period depends on H0.After one day H did not change any more and H∞ / H0 was about one third. The best fit between model calculations and experimental results was obtained if it was assumed that:- the permeability increases with time ( t ) and decreases with i , as was found in the experiments,- endogenous syneresis pressure (Ps) decreases only with shrinkage, - maximum gravitational pressure ( Pbg) is constant,- P0s= Pbg= 1 Pa ( H0 = 10 mm).P0swas found to be a function of time after renneting, at first increasing, then (after 1 - 2 h) decreasing. However, the introduction of such a relation in the model did not improve the fit to the experimental results. After all, the pressure cannot relax twice, both by shrinkage and by "ageing".The effects of several parameters (pH, temperature, Ca concentration, etc.) on milk clotting, gel permeability, syneresis and curd rigidity are interrelated. A survey is given in Table 7.2 and a tentative explanation is summarized in Table 7.3.In Chapter 8 it is shown that external pressure has a dramatic effect m the syneresis rate. Extrapolation to zero external pressure yields, again, an endogenous syneresis pressure of about 1 Pa
- …
