1,519 research outputs found
Tsunami’s langs de Nederlandse Noordzeekust
Korte notitie over het risico van een tsunami en een meteotsunami langs de Nederlandse kust
Kwelsloten langs de Twenthekanalen
Langs de oevers van de Twenthekanalen zijn sinds 1988 natuurvriendelijke oevers aangelegd. Op plaatsen waar het gemiddeld kanaalpeil hoger ligt dan het waterpeil in het achterliggende land, onstaat kwel. Om dit kwelwater af te voeren zijn parallel aan het kanaal sloten gegraven. Er is weinig bekend over hoe het met deze kwelsloten nu gesteld is. Het doel van deze korte inventarisatie is kennis verkrijgen van de natuurlijk rijkdom van de (kwel)sloten in relatie tot inrichting en beheer. Een vergelijking met de natuurvriendelijke oevers langs het kanaal is gewenst. Op grond van deze kennis kan beoordeeld worden of (kwel)sloten langs de Twenthekanalen meer aandacht behoeven. Conclusie Over het algemeen blijkt dat de onderzochte kwelsioten zeer soortenrijk zijn. Er worden dit jaar maar liefst 10 soorten Fonteinkruiden aangetroffen. Nog een andere soort, Schedefonteinkruid, groeit in het kanaal. Het voorkomen van elf soorten fonteinkruiden tekent de waarde van dit gebied. De meeste waardevolle vegetaties die in de periode 1991-1993 zijn aangetroffen, zijn nu ook nog langs het kanaal te vinden. Een aantal sloten is van lage ecologische kwaliteit, maar deze kwaliteit kan nog sterk verbeteren door het beheer aan te passen. Ook kan, door in overleg te treden met de aangrenzende boeren, de slootkant misschien ontzien worden of een bufferzone gerealiseerd worden. Op de plekken die bezocht zijn is het beheer soms iets te extensief voor wat betreft de baggerfrequentie (opname 2 en opname 6). Op de meeste plaatsen is het beheer uitstekend afgestemd op de natuurwaarde. Een paar sloten zijn iets te rigoreus geschoond (locaties E en G). De ecologische kwaliteit van de watervegetatie is in vrijwel alle onderzochte kwelsioten hoger dan die van de piasbermen langs het kanaal. De maatregelen met betrekking tot kwelsioten zoals voorgesteld in "De Twenthekanalen natuurvriendelijk" zijn nog niet uitgevoerd. Aanbevolen wordt om met grote zorg om te gaan met het beheer van kwelsioten. In een aantal sloten is het beheer uitstekend afgestemd op de natuurwaarde en dient dit zo te blijven. Wel kan de schoningsfrequentie omlaag (1x per twee jaar) in sloten die niet schouwplichtig zijn. Op een aantal andere plaatsen kan het schonen nog iets verbeterd worden om de hoge ecologische waarde te realiseren. Dit betreft de sloten van opname 2 en 6, waar gefaseerd schonen gewenst is en de sloten die nu af en toe iets te rigoreus geschoond worden. Gezien de grote waarde van de onderzochte kwelsioten wordt aanbevolen om ook de resterende kwelsioten langs te lopen en aan te geven op een kaart welke sloten van nu hoge ecologische waarden bezitten en welke van minder waarde zijn. Daarbij dient dan ook aangegeven te worden of en hoe deze waarde behouden c.q. verhoogd kan worden. Bij de resterende verbreding van het kanaal en de aanleg van natuurvriendelijke oevers dient rekening gehouden te worden met de grote ecologische waarde van de kwelsioten. Waar mogelijk kan deze waarde zelfs nog vergroot worden door overdimensionering (zie Grontmij 1994)
Inventarisatie van natuurontwikkelingsprojecten langs buitenlandse rivieren
Dit rapport presenteert de resultaten van een inventarisatie van natuurontwikkelingsprojecten langs buitenlandse rivieren. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat RIZA te Arnhem in het kader van het onderzoeksprogramma RIV*MEANDER om de in het buitenland opgedane kennis over natuurontwikkeling langs de beneden- en middenloop van rivieren te inventariseren. De aandacht ging vooral uit naar de morfologische reactie van de rivier op ingrepen en naar de interactie tussen morfologie en ecologie. De aanleg van nevengeulen genoot een bijzondere belangstelling. De nadruk in deze inventarisatie ligt op grotere, vrij stromende rivieren. Regelmatig zijn echter ook (verwijzingen naar) herstelprojecten langs gestuwde rivier-trajecten en kleinere waterlopen opgenomen. In een eerste ronde zijn informatiebronnen opgespoord door personen en instanties te raadplegen (zie hoofdstuk 13) en literatuurbestanden uit te kammen. Tevens is gezocht op het internet. Na evaluatie van de gevonden gegevens zijn de projectbeschrijvingen in de hoofdstukken 2 t/m 10 opgesteld. Per land en per rivier wordt een overzicht gegeven van de lopende dan wel geplande natuurontwikkelings- en herstelprojecten. Het overzicht pretendeert geen volledigheid. Indien voorhanden zijn per rivier/ project o.a. de volgende gegevens opgenomen: - karakterisering van de rivier (stroomgebied; afvoer, grind/zand rivier, verhang; mate van regulering etc.); - locatie van project; - doelstelling van project; - beschrijving van ingreep/ maatregel; - plan / in uitvoering / uitgevoerd, jaar van uitvoering; - wordt er gemonitord en zo ja wat? - zo mogelijk: morfologisch en ecologisch effect tot nu toe
Approaching recommender systems from genetic algorithms
El presente trabajo abarca un enfoque alternativo, desde los algoritmos evolutivos, a la manera tradicional en que se abordan los sistemas recomendadores (SR de aquí en adelante). Se examinan las posibilidades de los algoritmos genéticos para brindar características adaptativas a estos sistemas. Nuestro objetivo, además de proporcionar una panorámica informativa general sobre las posibilidades y potencialidades de los SR, es proveer mecanismos para que los SR sean capaces de aprender características personales desde los usuarios, con miras a mejorar la efectividad a la hora de encontrar recomendaciones y sugerencias apropiadas para un individuo en particular.This work presents an alternative approach (Evolutionary Algorithms approach) to traditional treatment of Recommender Systems (RSs). The work examines genetic algorithms possibilities to offer adaptive characteristics to this systems trough learning. The main goal, in addition to give a general view about RSs capabilities and possibilities, it is to provide an example mechanism for to extend RSs learning capabilities (from users ́s personal chracteristics), with the purpose to improve the effectiveness in the moment of to fi nd recommendations and appropriate suggestions for particular individuals
Wilgen in natuurvriendelijke oevers langs de Waal
In het kader van onderzoek naar natuurvriendelijke oeverbescherming langs de grate rivieren worden door het RIZA (afdelingen Biologie en Fysica) de mogeIijkheden van de aanplant van wilgen bestudeerd. In april 1990 zijn daartoe op drie lokaties langs de Waal, in kribvakken ter hoogte van Gendt, Druten en Gameren, wilgenstekken aangeplant. In deze voortgangsrapportage worden resultaten weergegeven van metingen die in 1990 verricht zijn. In de kribvakken worden zowel biologische als fysische metingen gedaan. De fysische metingen in het eerste jaar omvatten vooral het vastleggen van de uitgangssituatie. In dit werkdocument wordt daarnaast de verder te volgen werkwijze uiteengezet. De gebruikte soorten waren Katwilg (Salix vbninalis), Bittere Wilg (Salix purpurea) en Grauwe Wilg (Salix cinerea). Het plantmateriaal bestond uit bewortelde stekken van ca. 30 cm hoog. In 1990 is 83% van de Katwilgen, 59% van de Bittere Wilgen en 43% van de Grauwe Wilgen aangeslagen. Het succes van vestiging van wilgen, die geplant zijn in de kribvakken bij Druten en Gameren, was groter dan dat van wilgen, die ter hoogte van Gendt zijn aangeplant. De belangrijkste oorzaken voor uitval waren stroming, uitdroging en begrazing en vertrapping door vee. Dit laatste doordat vee zich via een onvoldoende functionerende afrastering in de beplanting kon begeven. Uitval door uitdraging betrof voornamelijk Bittere- en Grauwe Wilg, in de hogere delen van de kribvakken. Voor de lagere delen waren golfslag en stroming gedurende de eerste fase van de vestiging de voornaamste oorzaken voor uitval. Een jaar na het aanplanten van de wilgen is gebleken dat het mogelijk is wilgen aan te planten in het het morfologisch en hydrologisch extreme milieu van kribvakken langs de Waal. De planten die zich weten te vestigen gedijen goed en zijn in staat een periode van hoogwater tijdens het groeiseizoen te overleven. Voorwaarde voor een geslaagd verder verloop blijft echter het weren van het vee uit de aanplant
De basispeilen langs de Nederlandse kust: Eindverslag
Deze nota is het eindverslag van een hernieuwd onderzoek naar de basispeilen langs de Nederlandse kust. Kort na de stormramp van 1953 stelde de Minister van Verkeer en Waterstaat de Deltacommissie in met als taak een plan op te stellen ter beveiliging van het land tegen overstroming. In haar eindverslag geeft de Deltacommissie voor een groot aantal peilmeetstations langs het Nederlandse kustgebied en de estuaria de zogenaamde basispeilen. Dit zijn de hoogwaterstanden met een overschrijdingsfrequentie van 1/10.000 per jaar oftewel een kans van 1 % per eeuw. In verband met de onzekerheden in de basispeilen, in het bijzonder die voor de Westelijke Waddenzee in verband met de afsluiting van de Zuiderzee, beval de Deltacommissie aan verder te gaan met het onderzoek naar de hoogte van de basispeilen, op het moment dat voldoende lange meetreeksen ter beschikking zouden staan. De belangrijke uitgangspunten gehanteerd bij het onderhavige onderzoek zijn: - Hoek van Holland blijft een centrale rol vervullen in de hele analyse. De veiligheid van Centraal Holland hangt hier mee samen. - Met behulp van een analyse van de samenhang in extreem hoge waterstanden langs de kust op basis van de waarnemingen, statistische en fysische extrapolatie worden vergelijkbare peilen in de verschillende benaderingswijzen meegewogen in het eindresultaat. Het hernieuwde statistische onderzoek is in 1984 begonnen in een samenwerkingsverband tussen experts van het Centrum voor Wiskunde en Informatica (het vroegere Mathematisch Centrum), het KNMI en de Rijkswaterstaat. Het gaat hierbij om een analyse van de waarnemingen in 5 hoofd-stations, die onafhankelijk van elkaar zijn beschouwd, met als doel bij de huidige stand van de statistische en meteorologische kennis per station een lo nauwkeurig mogelijke uitspraak te doen over de stormvloedstanden behorende bij zeer kleine overschrijdingskansen. De stations zijn Vlissingen, Hoek van Holland, Den Helder, Harlingen en Delfzijl. Tijdens de eindfase van het onderzoek kwam de veiligheid van de dijkring Terschelling in de belangstelling. Daarom is bij de uitwerking en presentatie zoveel mogelijk ook het peilmeetstation West-Terschelling betrokken. De basis van het onderzoek naar de samenhang langs de kust wordt gevormd door wiskundige fysische modellen. Hierbij zijn stormvelden boven de Noordzee gesimuleerd die basispeilomstandigheden opleveren. Voor de uiteindelijke basispeilen langs de Nederlandse kust wordt een verband gelegd met het basispeil voor Hoek van Holland. Langs twee wegen is deze samenhang bepaald. In de eerste plaats door een analyse van de relatie met Hoek van Holland in het gebied van de waarnemingen. Een vergelijking vindt plaats met wat de Deltacommissie vond voor de situatie in de jaren vijftig. In de tweede plaats door middel van genoemd modelonderzoek. Langs deze weg is een zo volledig mogelijke afweging gemaakt van alle beschikbare informatie, zowel vanuit de statistiek van de afzonderlijke meetreeksen als vanuit de fysica van het systeem stormveld-Noordzee. Alle resultaten worden gewogen met behulp van de geschatte onzekerheden. Vaststelling van de aldus bepaalde nieuwe basispeilen is thans verantwoord gezien de nieuwe informatie die thans beschikbaar is
De sedimenthuishouding van kribvakken langs de Waal
Het langjarig gedrag van kribvakstranden, de invloed van scheepsgeïnduceerde waterbeweging en morfologische processen bij hoge en lage afvoeren. Het ziet er naar uit dat erosie door scheepvaart bij lage-gemiddelde afvoeren, en sedimentatie bij hoge afvoeren elkaar op een termijn van tientallen jaren in evenwicht houden. Deze hypothese is in deze studie onderzocht. Zowel erosie bij lage tot gemiddelde afvoeren als sedimentatie bij hoge afvoeren zijn onderzocht en gekwantificeerd. Hiervoor is de bodemligging van 23 kribvakstranden langs de Waal gedurende 4 jaar periodiek gemeten, met een onderscheid naar lage-gemiddelde afvoer en hoge afvoer processen. Daarnaast is de eroderende rol van scheepvaart in meer detailonderzocht door in kribvakken langs de Waal de water- en sedimentbeweging tijdens scheepspassages te meten en te relateren aan de eigenschappen van deze passages. Hiervoor zijn kunstmatige neurale netwerken toegepast
Wiskundig model ter bepaling van getijstroomsnelheden langs de kust
Het wiskundig model ter bepali~g van getijstroomsnelheden langs de kust, ook wel aangegeven met getijmodel, berust op de veronderstelling dat het getij voor elke getijcomponent kan worden weergegeven . door een golfbeeld dat ontstaat door interferentie van één inkomende en één teruggekaatste Kelvin golf. Het getijmodel is toegepast langs drie verschillende kusten in de zuidelijke Noordzee. Daarbij is de nauwkeurigheid van het model beproefd tot 100 ~ 200 kM uit de kust. De achtergrond voor de keuie van dit ontwerp is gelegen in het feit dat bij gebleken nauwkeurigheid van het model, dit model als subroutine zal worden toegevoegd aan SMDSS. SMDSS is een afkorting van Simulation Model for Dil Slicks at Sea. Bij gebruik van SMDSS in de huidige vorm wordt de stroomsnelheid van het getij extern ingevoerd. Indien nu géén of onvoldoende · stroomgegevens voor handen zijn, is er behoefte aan een wiskundig model, dat deze getijstroomsnelheden op snelle -dus éénvoudige- wijze berekent. Aan deze wensen probeert het model in dit ontwerp te voldoen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Wind-, golf-, en stromingsgeïnduceerd sedimenttransport in kribvakken langs de Waal
Kribvakmetingen Druten/Ochten juli 1996 tot april 1997. Onderzoek naar de sedimenthuishouding van een viertal kribvakken langs de Waal. Het onderzoek betreft een studie naar de hydrodynamische invloed van scheepvaart op de sedimenthuishouding en de invloed van eolisch zandtransport op de sedimenthuishouding in vier kribvakken langs de Waal. Het onderzoek is in samenwerking met het RIZA, het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling uitgevoerd. De fluviatiele metingen zijn uitgevoerd in juni en juli 1996. Het eolisch meetprogramma is uitgevoerd in de periode juli 1996 tot april 1997
Oeververdediging langs de IJssel, volgens bestek BOR-725
Beschrijving met foto’s en tekeningen van uitgevoerde experimentele oeververdediging langs de Gelderse IJssel, met ervaringen mbt de uitvoering en het gedrag.KWP-collectio
- …
