113 research outputs found

    Paraecology for Community Bushmeat Hunting Monitoring, Modelling, and Management

    No full text
    Self-determined community hunting governance and management is increasingly promoted as a key pathway towards the equitable sustainability of wild food systems, vital to the well-being of Indigenous peoples and local communities and the conservation of biodiversity. Yet there is scant scientific research providing robust, quantitative evidence of a community approach. Here I present the creation and use of a novel community bushmeat monitoring program to address this need across twenty villages in northeastern Gabon. Paraecologists conducted standardized monitoring of bushmeat, and hundreds of hunters conducted GPS self-follows mapping village hunting catchments. I integrated these data to estimate the proportion of bushmeat sampled and make robust extrapolations of total offtake across space and time, estimating an annual offtake of ~30,000 animals of >56 species across all villages.Such community- and landscape- level SES dynamics are the aggregate of individual motivation for the use of CPRs, which can be fluid, with the line between subsistence and commercial often unclear and in flux. I applied hierarchical Bayesian structural equation modelling to 910 hunts from 111 gun and trap hunters across nine villages. I first establish the human behaviour driving gun-hunting and trapping success and predict its effect on offtake across villages, and then linked fluid motivation of gun hunters to their behaviour, number of animals hunted, biomass yielded, and income earned. Gun hunts across villages yielded more animals during the night than the day, and when hunters brought high amounts of ammunition and walked far distances from villages. Gun hunts were less successful when coupled with trapping while per-hunt success of trapping itself was generally low and difficult to predict. Fluid gun hunters hunted fewer animals when motivated strictly by subsistence, despite no reduction in ammunition brought or distance walked, while offtake from strictly commercial versus mixed motivation was the same. Numbers of animals hunted, biomass, and income were tightly linked.In ten villages, the project facilitated community exploration of self-determined bushmeat hunting management, which three villages established. I used the paraecology data to quantify changes in offtake in these three villages in relation to fourteen other villages over the same period, and enriched insight in changes in offtake with participatory data analyses, long-term community engagement, and a mixed quantitative-qualitative survey of hunters’ perceived quality of their governance. The three communities created from three to nine different management rules, including no-hunting reserves and limits on ammunition and traps. Different management strategies in two villages both caused reductions in offtake of „ 400 animals a year; scaling up to 10–30% of Gabon’s total ~2500 villages could reduce national offtake by ~100,000–300,00 animals a year, with widespread community reserves driving substantial growth of wildlife populations. Hunters generally perceived the governance of their hunting management as high quality, though perceptions of conformity to rules and overall success varied across villages and hunters. Hunters perceived a lack of state support in their management; research and policy both should pay further attention to the governance of hunting management and the enabling conditions needed to improve it across SESs.</p

    IJsverslag: Winter 1947-1948 en 1948-1949

    No full text
    Winter 1947-1948 Alle maanden waren warmer dan normaal. In den winter waren er 25 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 2 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). Er was geen hinder voor de scheepvaart. Soms moesten speciaal voor de vaart door ijs gebouwde schepen ingezet worden. Winter 1948-1949 Alle maanden, op Maart na, waren warmer dan normaal. In den winter waren er 42 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 3 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden).IJsversla

    IJsverslag: Winter 1956-1957 en Winter 1957-1958

    No full text
    Winter 1956-1957 Zeer zachte winter met af en toe recordhoge temperaturen. Weinig dagen met vorst van slechts geringe zwaarte. Vier maal vorst gedurende 6 a 8 dagen tot slechts enkele graden onder nul. Gedurende drie van deze perioden trad geringe ijsvorming op. De winter bedroeg in De Bilt 41 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 3 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). Stremming voor de scheepvaart door ijsgang heeft zich in deze winter niet voorgedaan. Winter 1957-1958 Een in het algemeen zachte, af en toe milde winter. Vijf vorstperioden, met enige lichte ijsvorming op de kanalen, zonder stremming voor de scheepvaart. De winter bedroeg in De Bilt 58 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 3 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden).IJsversla

    IJsverslag: Winter 1949-1950 en 1950-1951

    No full text
    Winter 1949-1950 Alleen de maand Januari was kouder dan normaal. In den winter waren er 27 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 4 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). Op een aantal plaatsen rond de Wadden werd de scheepvaart verhinderd voor een maximum van 6 dagen. Dit waren de plaatsen Nieuwe Statenzijl (6 dagen), Zoutkamp (2 dagen), Kornwerderzand (2 dagen), Den Oever (2 dagen) en Den Helder, Huisduinen (1 dag). Winter 1950-1951 De maanden December en Maart waren kouder dan normaal. De rest was warmer dan normaal. In den winter waren er 42 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden), 5 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden) en 3 zeer koude dagen (min. temperatuur onder -10 graden). Op de meeste plekken werd de scheepvaart belemmerd van 27 december tot en met 1 januari.IJsversla

    IJsverslag: Winter 1980-1981

    No full text
    De winter was aan de zachte kant. Alleen november was koud, de eerste decade zelfs 7 graden kouder dan normaal en daarmee was deze decade de koudste in de afgelopen 100 jaar. Er kwamen in deze winter twee ijsperioden voor. De winter bedroeg in De Bilt 66 vorstdagen (min. temperatuur 0 graden), 4 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden) en 1 zeer koude dag (min. temperatuur onder -10 graden). Er werd nauwelijks hinder ondervonden door de scheepvaart. Geen enkele vaarweg of vaarroute is onbevaarbaar geweest in den winter.IJsversla

    IJsverslag: Winter 1941-1942

    No full text
    De winter was ongeveer van dezelfde hevigheid als die van 1879-1880 en 1890-1891 en behoorde tot de drie zwaarste winters in een eeuw tijd. De duur van de winter bedroeg 78 dagen, waarvan 72 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 43 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden) en 20 zeer koude dagen (min. temperatuur onder -10 graden). De belangrijkste vaarwegen waren van half Januari tot half Maart voor alle scheepvaart gestremd.IJsversla

    IJsverslag: Winter 1975-1976

    No full text
    De winter was in het algemeen vrij zacht, met uitzondering van de maanden november en maart. Er deed zich 1 ijsperiode voor van eind januari tot begin februari, waarin zich door bijna het gehele land ijs van betekenis voordeed. De grote rivieren zijn ijsvrij gebleven. Enkele belangrijke kanalen waren begin februari onbevaarbaar. De winter bedroeg in De Bilt 54 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden), 6 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden) en 2 zeer koude dagen (min. temperatuur onder -10 graden).IJsversla

    IJsverslag: Winter 1963-1964, Winter 1964-1965, Winter 1965-1966 en Winter 1966-1967

    No full text
    Winter 1963-1964 De winter was wat de maanden december, januari en maart betreft aan de koude kant. Vier vorstperioden, met ijsvorming op alle vaarwegen. De winter bedroeg in De Bilt 76 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 18 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). In de eerste twee ijsperioden ondervond de scheepvaart vrij veel hinder van het ijs. Van 23 december tot 26 december was de ijstoestand zodanig, dat alleen nog op de kanalen in het westen, midden en zuiden van het land vaart, in beperkte maten, mogelijk was. Winter 1964-1965 Deze winter was wat betreft de maanden december en maart aan de koude kant. Er waren twee ijsperioden. De winter bedroeg in De Bilt 67 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 7 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). Er was ijsvorming op de meeste kanalen, het IJsselmeer en de Waddenzee. De scheepvaart ondervond enige hinder van het ijs, maar uiteindelijk zijn geen van de grote kanalen gestremd geweest. Winter 1965-1966 In de winter zijn er drie ijsperioden geweest, nl 17 t/m 18 november (periode A), 10 t/m 31 januari (periode B) en 11 t/m 23 februari (periode C). In de perioden A en C werd er geen grote hinder ondervonden voor de scheepvaart op de grote kanalen. In periode B (januari) kwam vrijwel op alle vaarwegen ijs voor. De meeste van deze kanalen waren voor enige tijd gestremd. Belangrijke kanalen konden open gehouden worden m.b.v. ijsbrekers. Het ijs op de grote rivieren was echter van geen grote betekenis. De winter bedroeg in De Bilt 65 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 19 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden). Winter 1966-1967 In de winter was er één ijsperiode van 7 t/m 12 januari. De scheepvaart heeft hier praktisch geen hinder van ondervonden. De winter bedroeg in De Bilt 31 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden) en 2 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden).IJsversla

    IJsverslag: Winter 1971-1972

    No full text
    De winter was aan de warme kant. Alleen januari was kouder dan normaal. De winter bestond uit één ijsperiode, met vooral ijsvorming in het noorden van het land en het IJsselmeer. In het noorden werd er hinder ondervonden van het ijs. Enkele kanalen waren moeilijk bevaarbaar en het Noordhollands Kanaal was voor 2 dagen geheel niet bevaarbaar. De winter bedroeg in de Bilt 52 vorstdagen (min. temperatuur onder 0 graden), 5 ijsdagen (max. temperatuur onder 0 graden) en 1 zeer koude dag (min. temperatuur onder -10 graden).IJsversla
    corecore