19,611 research outputs found
Very high energy gamma-ray observations with H.E.S.S.
The H.E.S.S. Imaging Atmospheric Cherenkov Telescope Array is currently the most sensitive instrument for Very High Energy (VHE) gamma-ray observations in the energy range of about 0.1-10 TeV. During more than two years of operation with the complete 4-telescope array, many galactic and extragalactic VHE gamma-ray sources have been discovered. With its superior sensitivity and its large field-of-view camera, H.E.S.S. is particularly suited for surveys and detailed studies of extended sources. A selection of recent H.E.S.S. results is presented in this proceeding
Simulation of a predominantly passive natural air cooling system
Climate control is an everyday challenge. With the rapid surge in electricity prices over the past few years, air conditioning operating expenses necessarily increased. The effects, furthermore, of global warming result in increased cooling, and therefore, energy demand. The purpose of this paper is to propose two models that simulate a natural air cooling system. The first model simulates cooling through an earth to air heat exchanger, utilising the soil as a heat sink. The second model simulates the transient cooling of a control volume, which receives cooled air and is open to the environment. A scale model of an earth-to-air heat exchanger system was designed, constructed and used to verify results from the proposed models. Following verification, a real-life size heat exchanger was simulated in order to cool down a room of 60 m3within one hour, using only the underground soil as a heat sink. Results showed that a room at an initial 30 °C can be cooled down to 20.5 °C with a 1.2 m underground heat exchanger and down to 17.8 °C if the length is increased to 2.0 m. Only fan power is needed to increase the air's dynamic pressure, resulting in flow conditions. As a result a coefficient of performance between 60 and 80 can be achieve
De taal van staal
Het Basisboek, geschreven op HBO/TU-niveau, is voor architecten én constructeurs de eerste kennismaking met het gebruik en de toepassing van staal in de bouw. De inhoud van het boek vormt het basisgereedschap voor het ontwerpen van staalconstructies voor hallen, verdiepinggebouwen, woongebouwen en civiele constructies. De lezer wordt kort en bondig geïnformeerd over de eigenschappen van staal, de mogelijkheden om het materiaal te vervormen en te bewerken en de wijze waarop met staal constructiedelen zijn samen te stellen. Ook informatie over brandveiligheid, conserveren, onderhoud en milieu ontbreekt niet. Met eenvoudige vuistregels zijn de dimensies van de meest voorkomende staalconstructies gemakkelijk in te schatten of te berekenen
Havendammen van IJmuiden, modelonderzoek
De Bouwdienst van Rijkswaterstaat heeft WL Delft Hydraulics opdracht gegeven voor het uitvoeren van 2D fysisch modelonderzoek ten behoeve van een mogelijke renovatie van de havendammen van IJmuiden. Het betreft enerzijds modelonderzoek om meer inzicht te verkrijgen in mogelijk optredende schademechanismen bij de huidige constructie (Proevenserie A) en anderzijds modelonderzoek ten behoeve van de afweging tussen drie verschillende overlagingsvarianten (Proevenserie B). De mogelijke schade mechanismen die zijn onderzocht in Proevenserie A zijn: \u95 Het bepalen van de stabiliteit van de huidige teenconstructie. \u95 Het meten van waterdrukken op de bodem ten behoeve van het bepalen van interne verhangen in het filtermateriaal en de kern, om mogelijke uitspoeling van zand te kunnen beoordelen. \u95 Het meten van opwaartse krachten onder de asfaltlaag. Ten behoeve van de onderlinge afweging van overlagingsvarianten zijn drie varianten getest: 1. Variant 3b; Nieuwe toplaag bestaande uit een enkele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag is uitgevuld met breuksteen. 2. Variant 4; Nieuwe toplaag bestaande uit een dubbele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag is uitgevuld met breuksteen 3. Nieuwe toplaag bestaande uit een dubbele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag niet is uitgevuld. Het belangrijkste doel van de modelproeven voor de overlagingsvarianten was om de stabiliteit van de toplaag, de teen en de bodembescherming van de drie varianten te vergelijken.IJmuiden, Havenda
Modellering zandtransport zeereep: Windrichting, vegetatiegroei en seizoensvariatie
Rekenmodel om effect van vegetatie op zandtransport door wind in rekening te brengen.TAW/EN
Van optelsom van bouwmaatstaven naar strategisch vastgoedmanagement
Toenemende marktwerking in de zorg noodzaakt tot strategisch denken en handelen bij het ontwikkelen en beheren van vastgoed. Kosten en opbrengsten en kansen en risico’s moeten zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen, proactief en voor de gehele levensduur. Een beschouwing over vastgoedmanagement op basis van inzichten uit het domein van Corporate Real Estate Management.Accepted Authors ManuscriptReal Estate Managemen
Gedenkboek van de watersnood in Oost-Zuid-Beveland, 1953
Gedenkboek met veel foto's en een vijftal verhalen over verschillende locaties aan de oostkant van Zuid-Beveland; bevat een lijst met slachtoffers. Het eerste hoofdstuk beschrijft de geschiedenis van deze streek
Waterstandsverloop Markermeer: Hydraulische randvoorwaarden t.b.v. grondmechanische toetsing van dijken
AANLEIDING VOOR HET ONDERZOEK Rijkswaterstaat RIZA is aan GeoDelft gevraagd een methode voor te stellen om waterstandsverlopen voor het Markermeer te karakteriseren ten behoeve van de geotechnische toetsing van de dijken rond het Markermeer. Aanleiding was een vraag van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Bij de toetsing van de Markermeerdijken zijn de vigerende randvoorwaarden toegepast (randvoorwaardenboek 2001, toetspeilen 2006 [HR 2001 ]). Dit leidde bij de toetsing tot afkeuringen, die omvangrijker waren dan eerder werd verwacht op basis van een verkennende studie door Infram [DWW/lnfram 2000]. Dit leidde in het MER-traject tot kritiek (van Infram) welke zich toespitste op de vraag of de gehanteerde hydraulische randvoorwaarde bij de toetsing (conform het randvoorwaardenboek) wel realistisch was. Het toetspeil is gebaseerd op (een combinatie van) de gebeurtenissen "hoog meerpeil" (door onvoldoende gelegenheid tot spuien) en windopzet. Deze twee gebeurtenissen lijken elkaar kansmatig uit te sluiten (de kans is klein dat langdurend hoog meerpeil bij westenwind en relatief kort durende windopzet bij de Noord-Hollandse dijken bij zuiden en zuidwestenwind samengaan). Voorgesteld werd om bij het vaststellen van toetspeilen onderscheid te maken tussen deze situaties. Een verkennende analyse wees uit dat het gescheiden behandelen van deze situaties praktisch niet erg veel invloed heeft op het toetsresultaat en de beslissing om te versterken, mede ook gelet op ongewenste versnippering van te versterken delen van de dijkstrekkingen [Fugro 2004]. Echter de principiële vraag bleef bestaan of en hoe met het opstellen van het randvoorwaarden boek 2006 (toetspeilen 2011) dit onderscheid in oorzaken voor hoge waterstand voor Marker- en Ijsselmeer kan worden meegenomen. TIJDSAFHANKELIJKHEID BIJ GRONDMECHANISCHE TOETSING VAN DIJKEN Tijdseffecten in de waterspanningsrespons in dijken, als gevolg van waterstandsverloop, worden bij de geotechnische toetsing van dijken slechts in beperkte mate meegenomen. De praktijk is dat tijdsafhankelijke respons doorgaans alleen berekend wordt voor waterspanningen in de watervoerende zandlaag onder de dijk en voor de indringing van waterspanning onder in de klei/veenlaag boven de watervoerende zandlaag. Vanwege de aanpassingstijd (1 of hooguit enkele etmalen) van het geohydrologische systeem is dat alleen zinvol bij verlopen van de buitenwaterstand waarvan de top een beperkte duur heeft. Voor de indringing van stijghoogte in het klei/veen-pakket vanuit de onderliggende watervoerende zandlaag wordt vaak uitgegaan van vaste waarden voor de indringingshoogte, afhankelijk van het type waterkering (zeedijk, rivierdijk). Voor meerdijken zou onderscheid gemaakt moeten worden naar type belasting: langdurige meerpeilen 3 m en kortdurende windopzet 1 m. Bij de freatische respons is vermoedelijk sprake van een langere aanpassingstijd, echter, vanwege onzekerheden in de berekening van freatische waterspanningen wordt in de praktijk doorgaans gekozen voor een empirisch vastgestelde schematisering waarin tijdseffecten geen rol spelen. Een ruwe schatting is overigens dat de aanpassingstijd voor freatische waterspanning in de orde van 1 week ligt. Geconcludeerd wordt dat bij de karakterisering van het waterstandsverloop van het Markermeer het feitelijke verloop van de meerpeilcomponent als stationair mag worden geschematiseerd terwijl de windopzetcomponent als tijdafhankelijk moet worden geschematiseerd. SPECIFIEKE SITUATIE BIJ HET TOETSEN VAN MARKERMEERDIJKEN De geotechnische toetsing van de Markermeerdijken is door Fugro uitgevoerd op basis van het vigerende voorschrift voor de hydraulische randvoorwaarde. Voor windopzet gedomineerde toetspeilen wordt een waterstandsverloop voorgeschreven, opgebouwd uit een component meerpeil en een component windopzet. Voor de hoogte van de component meerpeil wordt uitgegaan van het 1/10.000 meerpeil en voor de component windopzet van het verschil tussen het toetspeil volgens Hydra-M en het 1/10.000 meerpeil. Aan de meerpeilcomponent wordt een langzaam verloop toegekend, aan de windopzetcomponent een relatief snel verloop (standaard 35-uur verloop voor een storm). Op basis van deze toetsing werden meer dijken afgekeurd dan op basis van een eerdere inventariserende studie verwacht werd [DWW/lnfram 2000]. Dit heeft geleid tot de kritiek dat onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke aard van het hydraulische systeem in het Markermeer. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen een toestand met extreeem meerpeil en een toestand met extreme windopzet (voor die locaties langs de dijken waar dit relevant is), die elkaar min of meer uitsluiten, of waarvan de kans op samenvallen in de tijd erg klein is. De vigerende hydraulische randvoorwaarde is dus conservatief en leidt, aldus de kritiek, tot onnodig afkeuren van grote delen van de Markermeerdijken. Voor een realistische toetsing moet onderscheid gemaakt worden tussen een toestand met extreem meerpeil en een toestand met extreme windopzet, maar waarbij een "normaal" meerpeil heerst. Deze toestanden moeten apart worden beschouwd ("gesplitste randvoorwaarden"). VOORGESTELDE KARAKTERISERING VAN RANDVOORWAARDEN VOOR (GRONDMECHANISCHE) TOETSING Tegemoet komend hieraan zijn verschillende voorstellen voor het werken met gesplitste randvoorwaarden geopperd door dijkbeheerders van Marker en IJsselmeerdijken (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Regionale Directie IJsselmeergebied van Rijkswaterstaat) en door GeoDelft. Deze voorstellen zijn door GeoDelft voorgelegd aan RIZA om de haalbaarheid te toetsen (zowel vanuit een oogpunt van veiligheid als vanuit een oogpunt van werkbaarheid en de benodigde inspanning om het programma Hydra-M aan te passen). Hierbij kwam naar voren dat de geopperde voorstellen niet zonder meer haalbaar zijn. In het verlengde hiervan is door RIZA een voorstel gedaan voor het opstellen van gesplitste randvoorwaarden, dat tegemoet komt aan de bezwaren bij de eerdere voorstellen. Dit voorstel wordt niet gezien als ideale werkwijze, maar lijkt gezien de mogelijkheden en beperkingen, het best haalbare. GeoDelft deelt die conclusie met RIZA en denkt dat hiermee voor een belangrijk deel tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren tegen het vigerende conservatieve randvoorwaardenvoorschrift. Dit voorstel is als volgt: 1. Bij het berekende toetspeil met Hydra-M wordt, als het toetspeil wordt bepaald door windopzet (en dat is afhankelijk van de locatie), het waterstandsverloop aangenomen: conform onderstaande figuur S.1 waarbij: - de top van het windopzetverloop wordt gevormd door het toetspeil en - als drempel (de horizontale lijn waar het windopzetverloop op wordt gesuperponeerd) wordt het 90-percentiel van het meerpeil "gegeven overschrijden van het toets peil" genomen. Dit peil noemen we hier Mgo% en het is dus de 90 % bovengrens van de conditionele kansverdeling van de meerpeilen, gegeven dat het toetspeil wordt overschreden. Onder bepaalde omstandigheden kan Mgo% hoger zijn dan het toetspeil. Bijvoorbeeld, indien het toetspeil volledig bepaald wordt door de meerpeilstatistiek, is Mgo% de 90% bovengrens van de conditionele kansverdeling van meerpeilen gegeven dat het 1/10.000 meerpeil wordt overschreden. In dat geval is Mgo% dus per definitie hoger dan het toetspeil. Daarom wordt de beperking ingevoerd dat de drempelwaarde waar de windopzet op wordt gesuperponeerd nooit hoger is dan het toetspeil zelf. In gevallen waarin de windopzet domineert in het toetspeil zal Mgo% aanzienlijk lager zijn dan het 1/10.000 meerpeil. 2. Naast dit waterstandsverloop wordt de geotechnische toetsing ook uitgevoerd met een in de tijd constante waterstand gelijk aan het 1/10.000 meerpeil. Het Mgo% peil wordt niet door Hydra-M berekend. Echter de inspanning voor het berekenen van het Mgo% peil is waarschijnlijk redelijk beperkt en kan desgewenst door RWS RIZA uitgevoerd worden. De dijkbeheerder kan hiervoor RWS RIZA benaderen. Als voor de gebieden waarvan de dijken getoetst moeten worden een andere veiligheidsnorm geldt dan 1/10.000, geldt dat in bovenstaande voor 1/10.000 gelezen moet worden de voor dat gebied geldende gebiedsnorm (1/4.000, enz.). Hoewel exacte getallen nog niet zijn te geven is een voorlopige schatting dat met deze methode de drempelwaarde voor het waterstandsverloop, voor locaties met een toetspeil dat sterk door windopzet wordt bepaald, in de orde van NAP-0,1 0 m ligt. In dat geval is het voorgestelde waterstandsverloop voor de geotechnische toetsingen aanzienlijk gunstiger dan volgens de vigerende regel (namelijk het waterstandsverloop rond toetspeil door windopzet combineren met het 1/10.000 meerpeil als drempel). Voor locaties waar zowel meerpeil als wind belangrijk zijn, is de verwachting dat Mgo% substantieel hoger zal zijn dan het normale meerpeil (het streefpeil) en het meerpeil uit het illustratiepunt bij de belangrijkste windrichting, zoals berekend met Hydra-M. Deze peilen waren eerder voorgesteld als drempelwaarden voor het verloop van de windopzet
Gedrag van vloeibare sliblagen op een hellende bodem
Om de stroom van slib in water te bestuderen, werden verschillende proeven In het Laboratorium voor Vloeistof mechanica van de TU Delft uitgevoerd. De gebruikte vloeistof (een mengsel van kaoliniet en water) gekenmerkt door een rheologische non-Newtoniaan gedrag, zoals een Binghams vloeistof, stroomt op een bodem die een kleine helling vertoont. De gebruikte dichtheden voor de vloeistof variëren tussen 1050 en 1230 kg/m'. Bij elke opstelling werd In drie secties opgemeten: twee secties om het gedrag van het lichaam van de stroom te bestuderen, en de laatste, om het gedrag van de kop te analyseren. De resultaten werden vergeleken met bestaande theorieën die een gelijkaardig verschijnsel behandelen. We hebben gemerkt dat de waarde van de 'entrainment' coëfficiënt (Ew) overeenstemt met de theorie van Garcia. Voor de 'drag' coëfficiënt, werden, voor turbulente stromen, interessante resultaten gevonden, maar niet voor laminaire stromen. In verband met de kop van de stroom konden twee theoretische relaties geverifieerd worden.vloeistofmechanicaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Deformatie van elastische bolletjes in instationaire elongatie stroming: Deformatie van Elastische Bolletjes in Instationaire Elongatie Stroming
Bij de vakgroep TMS van de afdeling Scheikunde wordt op fundamentele wijze het menggedrag van twee polymeren bestudeerd. Als onderdeel hiervan is tijdens dit onderzoek de deformatie van elastische bolletjes in rekstroming bestudeerd. De continue fase daarbij was siliconen olie, een Newtonse vloeistof. Hoewel dit systeem ver van de praktijk afstaat kan het misschien inzicht verschaffen in de invloed van elastische componenten op het deformatie gedrag van complexere vloeistoffen…Applied SciencesScheikundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe
- …
