677 research outputs found

    An improved rotor design for a diffuser augmented wind turbine:improvement of the DonQi Urban Windmill

    No full text
    The polluting fossil fuels are diminishing and becoming more and more expensive. The trias energetica, Figure 1, states that besides reducing the energy demand and using fossil fuels cleaner, renewable energy technologies are the solution to this problem. One of these renewable energy technologies is small-scale wind energy. The DONQI URBAN WINDMILL is a so-called urban turbine, a small roof mounted wind turbine. Moreover, the DONQI URBAN WINDMILL is a diffuser augmented wind turbine (DAWT), a wind turbine embedded in annular wing shaped diffuser. This diffuser has the function of augmenting the flow through the wind turbine.Aerospace EngineeringSustainable Energy Technolog

    Waterbeweging en menging in het zuidelijke gedeelte van de Noordzee: Eindverslag MLTP-4

    No full text
    Onderzoek is verricht naar verspreidingsmodellen en de gebruikte technieken achter deze modellen. Bij aanvang van de MLTP-periode bestonden er reeds verspreidingsmodellen. Deze modellen vertoonden echter tekortkomingen. De voornaamste daarvan waren: 1)het summiere gebruik van snelheidsgegevens, 2)de sterk vereenvoundige geometrie. Op geen van beide punten is een belangrijke verbetering mogelijk zonder ook het andere punt aan te pakken. De integratie van deze beide elementen in het geheel van de simulatie, diende dus, wat het einddoel van de thematiek betreft, het uitgangspunt te zijn. Wat de waterbeweging betreft ligt het zwaartepunt bij de reststromen, daar de getijbeweging onderwerp van studie was in de thematiek. Verder zijn de getijstromen en vooral de snelheidsgegevens uit modellen die (mede) het getij berekenen van zodanig groot belang voor de verspreidingsprocessen en de modellering daarvan, dat afzonderlijk aandacht wordt besteed aan waterbewegingsmodellen die mede of in hoofdzaak gericht zijn op getijberekening. Tenslotte is er aandacht besteed aan de verspreidingsverschijnselen en de verspreidingsmodellen, welke laatste het einddoel vormen van de thematiek. Als belangrijkste aanbevelingen komen naar voren: 1. Het bevorderen van een versnelling van de bouw van programmatuur voor een verspreidingsmodel op basis van deeltjessimulatie, met inbegrip van de wederzijdse aanpassing van de toeleverende bewegingsmodellen (getijmodellen, stormvloedmodellen) enerzijds en verspreidingsmodel anderzijds. In verband met de "voeding" van het bovenbedoelde model en eventuele andere transportmodellen moet er rekening gehouden worden met: - Voortzetting van het onderzoek naar het reststroomveld en de mogelijkheden van wiskundige modellering daarvan, i.h.b. van de niet-meteo-komponenten. - Voltooiing van het op initiatief van MLTP-4 (zie Texel 1974) gestarte project Numerieke Diepteschematisatie. 2. Vergelijkend onderzoek, vooral uit het oogpunt van rekentijden, kosten en doelmatigheid, van deeltjessimulatie en eindige differentie- of eindige elementenmethoden voor het oplossen van transportproblemen in kombinatie met interakties (met name chemische reakties).MLTP-

    Berekeningen van banen en distributies van deeltjes in twee- en driedimensionale snelheidsvelden

    No full text
    Deze bundel is een neerslag van een colloquiumdag gehouden op 19 juni 1985, georganiseerd door de Fysische Afdeling van de Directie Waterhuishouding en Waterbeweging van de Rijkswaterstaat, in samenwerking met de Overleggroep Transportverschijnselen van de Raad van Overleg van het fysisch-oceanografisch onderzoek van de Noordzee. De teksten zijn afgedrukt in de volgorde van de voordrachten op de colloquiumdag. Aan het eind volgt een kort hoofdstuk onder de titel "Elementen uit de diskussies". Daarbij is alleen verwerkt wat de geschreven teksten verduidelijkt of aanvult en wat zonder tijdrovende navraag en kontrole met redelijke zekerheid uit aantekeningen kon worden gerekonstrueerd, waarbij meer gestreefd is naar leesbaarheid en duidelijkheid dan naar een zo letterlijk mogelijke weergave. Het algemene thema van deze dag is samengevat in de titel van deze bundel. Er is hier kortheidshalve weggelaten dat al het te rapporten werk iets te maken heeft met oppervlaktewateren. Bepaalde uitspraken zullen ook wel een algemenere (vloeistofmechanische) strekking hebben. Sommige ideeën, technieken of konklusies zullen wellicht ook ruimer toepasbaar zijn, b.v. op verschijnselen in de atmosfeer. Het kader oppervlaktewateren brengt mee dat in het vlak van de toepassingen het veelal gaat om "vreemde" deeltjes, meer dan over de waterdeeltjes zelf. De bundel bevat de volgende rapporten: - Afleiding van snelheidsvelden uit op roosters gegeven componenten - W.A.M. de Jong - Aspekten van tweedimensionale transportberekeningen voor oppervlaktewater door middel van (passieve) deeltjessimulatie - G.C. van Dam - Deterministic chaos; a new mechanism for dispersion in shallow seas - R.A. Pasmanter - Seizoensgemiddelde verplaatsingen in de centrale Noordzee - H.W. Riepma - Eerste resultaten met een deeltjesbanenmodel t.b.v het onderzoek naar subgrid-scale-effekten - H. Gerritsen - Enige bijzondere aspekten van het stoftransport voor de Zuid-Nederlandse Noordzeekust - L. Postma - Berekeningen van deeltjesdistributies voor de Noordzee in drie dimensies - H.W. Riepma - Transporttheorie via statische aanpak van deterministische bewegingsvergelijking - J.J. BosmanColloquiumda

    Deeltjesmodellen (tweedimensionaal-horizontaal)

    No full text
    Op enkele korrekties na komt deze nota overeen met de gelijknamige bijdrage aan de Vervolgkursus WAQUA deel Waterkwaliteit (19 en 20 sept. 1985) In aansluiting op eindige-differentie-waterbewegingsmodellen, zoals het waterbewegingsdeel van WAQUA, kan men in plaats van een e.d.-transportmodel ook een model gebruiken gebaseerd op de verplaatsingen van deeltjes. Met het woord deeltjes geven we entiteiten aan die in de berekening géén afmetingen hebben, dus b.v. in een (x,y)-model geen afmeting in x- of y-richting. Of we ze beschouwen als representanten van grotere brokken materie is meer een interpretatiekwestie. Bij het bewerken na de eigenlijke transportberekening kan deze interpretatie overigens wel meewegen in de keuze van de bewerkingen. Met een deeltjesmodel kunnen we strukturen weergeven, die kleiner zijn dan de maaswijdte van het gegeven waterbewegingsmodel. Dit kan met een e.d.-transportmodel ook als we daarin een kleinere maas kiezen dan die van het w.b.m. Dit lijkt meer omslachtig, maar bepaalde problemen die zich bij een e.d.-transportmodel op verfijnd rooster zouden voordoen, moeten bij sommige toepassingen van deeltjesmodellen ook worden opgelost. Uitgaande van een w.b.m. als gegeven, wordt in een deeltjesmodel géén verfijning van de bodemschematisatie ingevoerd, alleen een interpolatie. Subgrid-details van de bodemtopografie en effekten die daarvan het gevolg zijn worden hoogstens op statistische wijze verdiskonteerd. Dit is toch winst, mits men deze en andere statistische effekten door middel van parameters kan afregelen aan de hand van meetgegevens. Bovendien kunnen bepaalde subgrid-structuren met een deterministisch karakter ook rechtstreeks voortvloeien uit grootschalige gegeven., m.a.w. alleen de mogelijkheid om ze met een andere modeltechniek zichtbaar te maken is voldoende. Dit slaat op structuren die bij kontinue lozingen ontstaan louter al. gevolg van de tijdafhankelijkheid van het snelheidsveld. Behalve het oplossend vermogen, bereikt op een simpele wijze, wordt als voordeel van deeltjessimulatie wel genoemd de relatieve eenvoud van de numerieke problematiek. Voorzover het de eigenlijke transportberekening betreft, d.w.z. wanneer we uitgaan van een kontinue snelheidsveld , afgeleid uiteen gegeven snelheidsmatrix, beperkt het numerieke aspekt zich inderdaad tot het kiezen van voldoend kleine tijdstappen en het eventueel toepassen van een hogere-orde-rekenschema

    Reststromen en resttransport in modelberekeningen

    No full text
    Bij berekeningen van advektieve transporten in getijgebieden op basis van gegeven snelheidsvelden doen zich geen fundamentele problemen voor zolang men het reststroombegrip buiten de deur houdt en uitgaat van het volledige tijdafhankelijke veld. In bepaalde gevallen is het werken met getijgemiddelde grootheden echter gewenst (rekentijden, geheugenbeslag) of noodzakelijk; het laatste bij voorbeeld als men een stationaire koncentratieverdeling wil berekenen met behulp van de tijdonafhankelijke diffusie-advektievergelijking. Daarbij heeft men een voldoend nauwkeurige benadering nodig van de restverplaatsingen. In het algemeen lukt dit niet wanneer men de restverplaatsingen benadert met gebruikmaking van de zogenoemde Eulerse reststroomsnelheid of van de Eulerse resttransportsnelheid. In deze nota wordt dit geïllustreerd aan de hand van berekeningen voor de zuidelijke Noordzee. Aangegeven wordt langs welke weg een beter resultaat kan worden bereikt

    Quasisynoptische saliniteitsmetingen in de Zuidelijke Noordzee (oostzijde)

    No full text
    Gepresenteerd worden kaarten met lijnen van gelijke zoutgehalten en rivierwaterfracties van het zeegebied langs de Belgische en Nederlandse kust tot Ameland. De metingen zijn ongeveer tweemaal per jaar uitgevoerd in de periode van 1973 tot 1979. De meettochten duurden ongeveer 3 dagen. De kaarten met de rivierwaterfracties kunnen van nut zijn bij het schatten van de verspreiding van de opgeloste stoffen, die door de Rijn en Maas worden aangevoerd

    Eindrapportage Pilot Markermeer Moeras: Beantwoording onderzoeksvragen en monitoringsresultaten morfodynamica, geotechniek en ecologie

    No full text
    Beantwoording onderzoeksvragen en monitoringsresultaten morphodynamica, geotechniek en ecologie. Aannemersbedrijf Fa. Gebr. van der Lee heeft in opdracht van Rijkswaterstaat in het Markermeer nabij de Houtribdijk tussen Trintelhaven en Lelystad een “pilot moeras” aangelegd. Deze pilot moeras is onderdeel van het innovatieve onderzoeksprogramma Natuurlijk(er) Markermeer – IJmeer (NMIJ). Hierin onderzoekt Rijkswaterstaat maatregelen die de ecologische kwaliteit van het Markermeer en IJmeer duurzaam verbeteren. Het proefmoeras is circa 10 hectare groot en is onderdeel van een onderzoek naar de technische haalbaarheid van de aanleg/realisatie van een grootschalig moeras op een slibrijke bodem. De aanleg ervan is gestart in 2013. Reeds tijdens de uitvoering is gestart met een zeer uitgebreid monitoringsprogramma welke als doel heeft de ontwikkeling van de pilot nauwkeurig te volgen. Focus tijdens de monitoring heeft gelegen op geotechnische ontwikkeling (consolidatie en zetting), morfodynamica en ecologie. Waar mogelijk gelinkt aan aanlegmethodieken en ontwerp. Om richting te geven aan de monitoringsopzet en de uitwerking daarvan zijn door RWS onderzoeksvragen opgesteld. De tijdens de pilot verzamelde meetdata zijn geanalyseerd met als doel deze te gebruiken ter beantwoording van de onderzoeksvragen. In voorliggende rapportage worden de monitoringsresultaten van de pilot gepresenteerd en geanalyseerd. Vervolgens zijn deze, naast andere kennisbronnen, gebruikt om de onderzoeksvragen te beantwoorden.TCS200500 TPG13173

    Oeververdedigingen van asfaltplaten en SRO-zand langs de rivier de IJssel

    No full text
    Op grond van de ervaringen opgedaan met de toepassing van geprefabriceerde asfaltplaten als boordvoorziening van het Amsterdam-Rijnkanaal is gebleken dat bijzondere aandacht besteed moet worden aan de volgende punten: 1. Voor het leggen van de platen dient een methode te worden toegepast waarbij de platen zo min mogelijk aan ongewenste vormveranderingen zijn blootgesteld, en waarbij een volledige controle van de legmanoeuvre mogelijk is. 2. Wanneer zich zodanige wateroverdrukken onder de bekledingseonstructie kunnen ontwikkelen dat de wrijvingsweerstand tussen bekleding en ondergrond te zeer wordt gereduceerd, dient zorg gedragen te worden voor 'voldoende trekwapening in en verankering van de plaat. 3. Ter beperking van de wateroverdrukken is het gewenst de bekleding waterdoorlatend te maken. Gebruikmakend van deze ervaringen is de volgende constructie ontworpen: een open Bitumarin betonmengsel bestaande uit kleine steen (5 - 8 em stukgrootte) omhuld met menggietasfalt, waarbij de holle ruimte in het steenskelet slechts gedeeltelijk is gevuld, aangebracht op een vlechtwerk van aluminium strippen dat als draag- en wapeningsmat kan dienen. Teneinde inzicht te krijgen in de mogelijkheden van een dergelijke constructie zijn in juni 1966 in opdracht van Bitumarin N.V. in het Laboratorium van de fa. J. Heijmans N.V. te Rosmalen orienterende proefnemingen verricht

    Flip van der Watt, Tukkies Oorskou sy Eerste Honderd Jaar 1908 – 2008 : Down memory lane

    No full text
    On 10 February 2008, the University of Pretoria (UP) celebrated its centenary. As part of the celebrations, Professor Van der Watt, a retired senior academic and the editor of the fourth volume (1993-2000) of the Ad Destinatum series on the history of the university, as well as the author of Rectores Magnifici (2003), the history of the first eleven university principals, was commissioned to write a history of the institution. He was supported in this endeavour by Professor Karin Harris, director of the UP archive and her efficient staff of archivists

    Earinus aurantius van Achterberg et Long 2010

    No full text
    Earinus aurantius van Achterberg et Long, 2010 Figure 1 Earinus aurantius van Achterberg & Long, 2010: 68 (RMNH, type examined); Sharkey & Clutts, 2011: 122. Material examined. 1³, Tibet, Tongmai, 2053 m, 27.VII.1978, Li Fa-Sheng (ZJUH). Distribution. China (Tibet, Fuzhou?, Yunnan?, Taiwan?); Vietnam; Thailand. Notes. Earinus burmensis has the first tergite twice wide apically and tibia without dark brown ring according to its original description by Gupta & Bhat (1974) and re-examination of the holotype by the second author. Chou & Sharkey (1989) and Chen & Yang (2006) reported this species from China (Taiwan, Yunnan) and stated that the length of the first tergite of this species is 1.4 × its apical width and that the hind tibia has a dark brown ring subbasally. Actually, their species is not identical with the E. burmensis, but fits with another species, E. aurantius van Achterberg et Long, 2010. In addition, other important characters, such as the shape of the hind femur, the shape of the first tergite and the colour of the hind spurs are also similar to E. aurantius, judging from their photos. Therefore, we conclude that the specimens from Taiwan and Yunnan identified by Chou & Sharkey (1989) and Chen & Yang (2006) as E. burmensis most likely belong to E. aurantius.Published as part of Tang, Pu, Achterberg, Cornelis Van & Chen, Xue-Xin, 2018, Review of the genus Earinus Wesmael (Hymenoptera, Braconidae, Agathidinae) from China, pp. 345-358 in Zootaxa 4504 (3) on pages 346-349, DOI: 10.11646/zootaxa.4504.3.2, http://zenodo.org/record/260643
    corecore