570 research outputs found

    The shocking transit of WASP-12b : modelling the observed early ingress in the near ultraviolet

    No full text
    4 pages, 2 figuresNear ultraviolet observations of WASP-12b have revealed an early ingress compared to the optical transit lightcurve. This has been interpreted as due to the presence of a magnetospheric bow shock which forms when the relative velocity of the planetary and stellar material is supersonic. We aim to reproduce this observed early ingress by modelling the stellar wind (or coronal plasma) in order to derive the speed and density of the material at the planetary orbital radius. From this we determine the orientation of the shock and the density of compressed plasma behind it. With this model for the density structure surrounding the planet we perform Monte Carlo radiation transfer simulations of the near UV transits of WASP-12b with and without a bow shock. We find that we can reproduce the transit lightcurves with a wide range of plasma temperatures, shock geometries and optical depths. Our results support the hypothesis that a bow shock could explain the observed early ingress.Peer reviewe

    De stabiliteit van slib op een helling: Een onderzoek met slib uit Rotterdam en Guyana

    No full text
    Aan de noordoostelijke kust van Zuid-Amerika worden verschillende baggerwerken uitgevoerd, waarvan er een bestaat uit het op diepte houden van de vaargeul in de monding van de Berbice rivier in Guyana. De vaargeul die door slib- en modderbanken naar diep water loopt, verondiept regelmatig door aanslibbing. Het vermoeden bestaat dat de naastgelegen moddderbanken in de vaargeul terecht komen door afschuiving van een grondmoot of door oppervlakteafschuiving. Dit hindert het scheepvaartverkeer en noodzaakt tot extra werkuren voor de sleephopperzuiger die de vaargeul op diepte houdt. Om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen, is het gewenst het gedrag van slib op een helling te kunnen voorspellen, in het bijzonder voor slib afkomstig uit: Guyana. De hellingen van de modderbanken kunnen dan onder een zodanige- hoek gebracht worden dat er zeker geen afschuiving meer plaats vindt. Het doel van dit rapport is tweeledig: - het inventarlseren van alle gebruikte meetmethoden en gegevens van het verrichte onderzoek. - het opstellen van een aantal relaties tussen de gemeten variabelen. waarbij in het bijzonder gezocht wordt naar: * het verband tussen dichtheid en stabiliteit van slib op een helling (in de vorm van een grafiek). * een correlatie tussen de meetgegevens van slib uit Guyana en Rotterdam. * een algemene formule of methode om de oppervlakteafschuiving van slib te beschrijven.KustwaterbouwkundeHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Zeegrind: Begin van beweging op een talud

    No full text
    Onderzoek naar begin van beweging en de stabiliteit van zeegrind onder invloed van stroom. In dit onderzoek is het effect van de taludhelling onderzocht. De helling van het grindbed is gevarieerd, helling van 1:3 en 1:6 zijn onderzocht. Er is grind gebruikt met een d50 van 1.65 cm

    Het woonbeleid

    No full text
    Artikel uit Helling, lente 2018, nr.

    Korte golven

    No full text
    Basisvergelijkingen, lineare theorie, dispersierelatie, niet-lineaire theorieen, terugkaatsing, breking en oploop tegen een helling, diffractie.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Stroomlijnen van zomerkaden

    No full text
    De maatgevende afvoer van de Rijn is bijgesteld van 15.000 m3/s naar 16.000 m3/s. Om nu de waterstanden op de Rijn gelijk te houden zijn maatregelen nodig. De voorkeur gaat uit naar aanpassing van de uiterwaarden. Aangezien blijkt dat een groot deel van het energieverlies bij het stromen over de zomerkaden plaatsvindt is het zinvol te onderzoeken of een aanpassing van het profiel van de zomerkade mogelijk is (stroomlijnen), om zo energieverliezen te minimaliseren. Doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen in het effect van het stroomlijnen van zomerkaden op het energieverlies. De lokale energieverliezen dienen hierbij zowel kwantitatief als kwalitatief beschreven te worden. Kwantitatief wordt de absolute grootte van het energieverlies bepaald. Kwalitatief gaat het om een goede karakterisering van processen en om het onderscheiden van relevante parameters. Er is gezocht naar een formule die de effecten van het stroomIijnen kan beschrijven. Dit is gedaan in termen van afvoercoefficienten, Uit de afvoercoefficienten is direct de mogelijke afvoervergroting afte leiden. De uiteindelijke doelstelling Iuidt: wat is de verandering van de afvoercoefficient bij vrije en verdronken stroming (Cdv, Cd) bij variatie van de benedenstroomse helling van een zomerkade. Er zijn een aantal kadeparameters, die invloed hebben op het energieverlies: kaderuwheid, kruinlengte, bovenstroomse en benedenstroomse kadehelling. In deze studie wordt slechts een kadeparameter gevarieerd, te weten de benedenstroomse kadehelling. Deze parameter heeft immers de grootste invloed op het energieverlies. In dit onderzoek zijn een tweetal experimenten in een eenvoudig fysisch schaalmodel uitgevoerd: vervalmetingen bij verschillende soorten kadeconfiguraties en snelheidsmetingen voor een beperkt aantal situaties. Deze experimenten zijn uitgevoerd in het Laboratorium voor Vloeistofmechanica van de TU Delft. Bij de vervalmetingen zijn verschillende soorten schaalmodellen van zomerkaden loodrecht overstroomd en per experiment is het verval over de kade bepaald, met variatie van de benedenstroomse kadehelling. Voor een viertal benedenstroomse hellingen zijn experimenten uitgevoerd: verticaal; 1:15; 1:4; 1:7. Per kade zijn verschillende stromingscondities ingesteld door zowel het debiet als de benedenstroomse waterstand te varieren. Per kadeconfiguratie en stromingsconditie is het verval en het waterstandsverloop over de kade gemeten. Een grote toename van de afvoerreductiecoefficient (en dus van de afvoer) kan worden bereikt door het flauwer maken van de benedenstroomse helling. De toename is maximaal ca. 40% bij een verflauwing van verticaal naar 1:15. De maximale toename van de afvoer bij aanpassing van de benedenstroomse helling van 1:4 naar 1:7 bedraagt ca. 15%. Dit is de verflauwing die in de praktijk uitgevoerd zou kunnen worden, aangezien de huidige kaden een helling van 1:4 hebben. De hypothese dat door aanpassing van de zomerkade de afvoer met een factor 2 kan varieren is derhalve te optimistisch. De afvoercoefficient bij vrije stroming (Cdv) neemt toe bij toename van het debiet Het debiet is direct gerelateerd aan de energiehoogte bovenstrooms van de kade t.o.v. van de kruin. Dit betekent dat de afvoercoefficient bij vrije stroming ook toeneemt bij toename van de relatieve energiehoogte. Deze bevindingen komen overeen met de bevindingen van Hager (1998). De afvoercoefficient bij vrije stroming (Cdv) lijkt afte nemen bij flauwer wordende benedenstroomse helling. Dit komt overeen met bevindingen uit eerder onderzoek, waarin werd aangetoond dat de afvoercoefficient bij vrije stroming afneemt bij toenemende kadelengte. De invloed van een verandering van de benedenstroomse kadehelling op de afvoerreductiecoefficient kan goed worden weergegeven door variatie van een fitparameter p in een formule analoog aan Villemonte . De fitparameter p blijkt een nagenoeg lineair verband te hebben met de benedenstroomse helling. Uit de analyse van de snelheidsmetingen kan worden geconcludeerd dat door aanpassing van de benedenstroomse helling de neervorming aanzienlijk vermindert en tot vrijwel nul is gereduceerd bij een helling van 1:7.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Shields op de Helling? Het ontwerpen van een steenbestorting op een oever onder stromingsaanval

    No full text
    Voor de berekening van de stabiliteit van stenen moet een beschouwing worden gemaakt van de krachten welke werken op een steen in een stroming. Deze krachten zijn natuurlijk ten eerste het gewicht van de steen onder water en verder de kracht welke de stroming op de steen uitoefent. 1) De krachten door het water zijn evenredig met het kwadraat van de watersnelheid, met het oppervlak van de steen en de dichtheid van het water. Evenredig met het oppervlak van de steen houdt in evenredig met het kwadraat van de diameter van de steen. 2) Het steengewicht is evenredig met de inhoud van de steen en daarmee met de steendiameter tot de derde macht. Verder is het natuurlijk evenredig met het verschil in steengewicht en het gewicht van het water. De evenredigheidsparameter werd door Shields in een iets andere vorm in zijn onderzoek Psi genoemd. Deze factor bleek nog afhankelijk te zijn van het Reynoldsgetal. Wanneer de theorie van Shields wordt toegepast op stenen op een oever is het de vraag welk punt op de helling maatgevend is. Dit kan zijn onder aan het talud of juist hoger op het talud. Onder aan het talud is de dieptegemiddelde stroomsnelheid hoog maar door de grotere diepte is de relatieve aanval op de stenen lager. Hoger op het talud is de dieptegemiddelde stroomsnelheid weliswaar lager, maar is de relatieve aanval op stenen door de geringere diepte juist lager. De eerste conclusie die uit dit onderzoek kan worden getrokken is dat op een oever de situatie aan de teen altijd de maatgevende is. De hogere snelheden op het diepere gedeelte hebben duidelijk een groter effect dan de geringere diepte hoger op het talud. De resultaten van dit onderzoek geven verder aan dat de hellingcorrectiefactoren volgens Lane (1955) en Ikeda (1982) waarden geven welke aan de voorzichtige kant liggen. Uit de resultaten zou men zelfs kunnen concluderen dat de bewering van Maylord (1989) die zegt dat een hellingcorrectiefactor niet nodig is voor hellingen flauwer dan 1:2,5 juist is. Voor praktische toepassingen is het echter aan te bevelen de hellingcorrectiefactor wel mee te nemen in de berekening. Dit vanwege de onzekerheden die in vele onderzoeken naar dit onderwerp naar voren komen. Er kan zonder problemen gewerkt worden met de eenvoudige formules van Lane omdat de afwijkingen van de formule van Ikeda met de gevonden waarden van A niet bijzonder groot zijn. Bij het berekenen van het benodigd steengewicht aan de teen van een talud moet de snelheid aan de teen van het talud bekend zijn. Indien gewerkt wordt in een bestaande situatie kunnen de snelheden het beste in het veld gemeten worden, anders zal men stromingsmodellen moeten gebruiken. De conclusie van dit rapport is dat de huidige gebruikelijke berekeningswijze met de methode van Shields met de hellingcorrectiefactor volgens Lane aan de veilige kant zit. Verder onderzoek is nodig om eventuele ontwerpnormen aan te scherpen.Civil Engineering and Geoscience

    Disk evolution, element abundances and cloud properties of young gas giant planets

    No full text
    ChHc and PBR highlights financial support of the European Community under the FP7 program by an ERC starting grant. PW, IK, and WFT acknowledge funding from the European Union Seventh Framework Programme FP7-2011 under grant agreement No. 284405.We discuss the chemical pre-conditions for planet formation, in terms of gas and ice abundances in a protoplanetary disk, as function of time and position, and the resulting chemical composition and cloud properties in the atmosphere when young gas giant planets form, in particular discussing the effects of unusual, non-solar carbon and oxygen abundances. Large deviations between the abundances of the host star and its gas giants seem likely to occur if the planet formation follows the core-accretion scenario. These deviations stem from the separate evolution of gas and dust in the disk, where the dust forms the planet cores, followed by the final run-away accretion of the left-over gas. This gas will contain only traces of elements like C, N and O, because those elements have frozen out as ices. PRODIMO protoplanetary disk models are used to predict the chemical evolution of gas and ice in the midplane. We find that cosmic rays play a crucial role in slowly un-blocking the CO, where the liberated oxygen forms water, which then freezes out quickly. Therefore, the C/O ratio in the gas phase is found to gradually increase with time, in a region bracketed by the water and CO ice-lines. In this regions, C/O is found to approach unity after about 5 Myrs, scaling with the cosmic ray ionization rate assumed. We then explore how the atmospheric chemistry and cloud properties in young gas giants are affected when the non-solar C/O ratios predicted by the disk models are assumed. The DRIFT cloud formation model is applied to study the formation of atmospheric clouds under the influence of varying premordial element abundances and its feedback onto the local gas. We demonstrate that element depletion by cloud formation plays a crucial role in converting an oxygen-rich atmosphere gas into carbon-rich gas when non-solar, premordial element abundances are considered as suggested by disk models.Peer reviewe

    Grondmechanische stabiliteit oostelijke hoogwaterkering buitenhaven Vlissingen

    No full text
    Door Rijkswaterstaat Directie Zeeland is aan de Dienst Weg- en Waterbouwkunde gevraagd om een oordeel te geven over de grondmechanische stabiliteit van de oostelijke hoogwaterkering van de buitenhaven te Vlissingen. De waterstand waarvoor deze beoordeling moet plaats vinden is die bij een frequentie van 2.5 x 10^(-4). Geconcludeerd wordt dat onder dagelijkse omstandigheden de stabiliteit van de constructie voldoende is (stabiliteitsfactor 1.25; binnenbeloop 1:2). Waar het binnenbeloop steiler is, lijkt een uitvulling tot een helling van 1:2 op zijn plaats. Gelet op het voorgaande wordt geadviseerd om na te gaan of aan de binnenzijde taludhellingen voorkomen steiler dan 1:2. Indien dit het geval is, dient de helling van het binnentalud te worden verflauwd tot de genoemde waarde
    corecore