581 research outputs found
Invloed van bestraling op de thermische stabiliteit van P.V.C.-folies
Het onderzoeken van de invloed van bestraling (met zichtbaar- en U.V.-licht) op de thermische stabiliteit van poly (vinyl chloride) folies, al of niet voorzien van stabilisatoren, U.V.-absorbers, weekmakers, etc. Dit als onderdeel van een programma om een kortdurende testmethode te vinden, die het verouderingsgedrag van poly (vinyl chloride) op langere termijn, onder natuurlijke omstandigheden, voorspelbaar maakt. Bovendien is er een oriënterend onderzoek verricht met het doel E.S.R. (Electron Spin Resonance) gegevens te verkrijgen van P.V.C.-folies, tijdens bestraling.Applied Science
Adaptieve Temperatuurgrenswaarden: Praktijkonderzoek naar de nieuwe Nederlandse richtlijn voor de beoordeling van het thermische binnenklimaat in kantoorgebouwen
In Nederland kan sinds maart 2004 gebruik worden gemaakt van een nieuwe richtlijn voor het thermische binnenklimaat, gepresenteerd in de ISSO publicatie 74, “Thermische behaaglijkheid. Eisen voor de binnentemperatuur in gebouwen”, waarin op grond van omvangrijk internationaal veldonderzoek grenzen voor de binnentemperatuur, de ‘Adaptieve TemperatuurGrenswaarden’ (ATG), zijn opgesteld. Deze grenzen laten hogere binnentemperaturen toe indien de (gewogen gemiddelde) buitentemperatuur eveneens hoger is. Op deze wijze is het adaptieve vermogen van de mens, welke uit het veldonderzoek naar voren is gekomen, in de eisen verdisconteerd. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in twee type gebouwen, te weten gebouwen van het klimaattype Alpha, waarin de gebruikers goede mogelijkheden hebben het binnenklimaat te beïnvloeden en ramen te openen, en gebouwen van het klimaattype Bèta, waarin de gebruikers deze mogelijkheden niet of in mindere mate hebben. Voor gebouwen van het Alpha-type neemt de hoogte van de toegestane binnentemperatuur sneller toe bij stijgende buitentemperatuur dan voor gebouwen van het Bèta-type. Daarnaast worden bij deze methode drie kwaliteitsklassen onderscheiden, waarbij 90%, 80% dan wel 65% van de personen gedurende 100% van de werktijd (er worden geen overschrijdingen van de grenswaarden toegestaan) tevreden is. Deze nieuwe methode om het thermische binnenklimaat te beoordelen is de beoogde opvolger voor de momenteel gebruikelijke Gewogen TemperatuurOverschrijdingen methode (GTO), welke aan de hand van klimaatkameronderzoek uit de jaren ’70 is opgesteld. Bij deze methode mag een binnentemperatuur van circa 25,5°C in de zomerperiode gedurende een aantal uren overschreden worden. Hierbij wordt een weegfactor toegepast die groter wordt naarmate de binnentemperatuur de grens verder overschrijdt. Het maximaal toegestane aantal gewogen overschrijdingsuren is voor gebouwen met een niet geheel gesloten gevel gesteld op 150. Op deze wijze wordt er naar gestreefd dat gedurende 90% van de tijd 90% van de mensen tevreden is. In aanvulling hierop eist de Rijksgebouwendienst dat in gebouwen met ‘niet vrijelijk te openen’ ramen of een geheel gesloten gevel, een operatieve binnentemperatuur van 25,5°C niet overschreden mag worden tot een maximum buitentemperatuur van 28°C.Design and ConstructionCivil Engineering and Geoscience
Het analyseren en verbeteren van risicomanagement bij projecten van de afdeling Projectmanagement Ingenieurs bureau Den Haag
Het management van de afdeling PM van Ingernieursbureau Den Haag wilt dat risicomanagement binnen projecten op een expliciete manier uitgevoerd wordt zodat er meer projectrisico’s beheersbaar gemaakt kunnen worden, wat bijdraagt aan projectsucces. De verbeterslag van risicomanagement is van belang omdat dit dan moet zorgen voor een groter risicobewustzijn van de projectmanager en het projectteam, een beter inzicht in de risico’s door een goede analyse van de risico’s vooraf en tijdens het project, een daadwerkelijke effectievere en efficientere risicobeheersing met behulp van de goede risicoanalyses en doordachte beheersmaatregelen. De hoofddoelstelling luidt: Het analyseren van het huidig risicomanagement van projecten bij de afdeling PM met als doel deze, indien nodig, in de toekomst te verbeteren, zodat de afdeling PM expliciet aan risicomanagement kan doen. Vanwege vertrouwelijke informatie of andere redenen is slechts een deel van de publicatie opgenomen in de repository. Due to confidential information or other reasons only a part of the publication is presented in the repository.Construction Management and EngeineeringBouwprocessenCivil Engineering and Geoscience
Risicobeheersing in kustplaatsen: Beheersing van kansen en gevolgen van kustafslag en overstroming tijdens zware storm in buitendijks gebied
Document Basisinformatie behorend bij RIKZ/2005.021 Samenvatting: Ruimte in de kustzone is schaars. Vooral in de Nederlandse kustplaatsen is sprake van een toenemende druk op de beschikbare ruimte voor wonen, werken, recreatie en mobiliteit. Door klimaatverandering en zeespiegelstijging neemt tegelijkertijd de kans toe dat door een zware storm schade optreedt aan bebouwing en infrastructuur. Het risico, gedefinieerd als kans op schade vermenigvuldigd met de omvang daarvan, neemt dus toe. Zeewaartse delen van de kustplaatsen op of zeewaarts van de waterkering, het buitendijkse gebied, kennen geen wettelijk beschermingsniveau conform de Wet op de waterkering. De burger is in beginsel zelf verantwoordelijk voor zijn activiteiten in het buitendijkse gebied, maar lijkt zich veelal onbewust van de risico\u92s. Welke rol vervullen de verschillende overheden bij de beheersing van buitendijkse risico\u92s van schade door kustafslag en overstroming in kustplaatsen? Doel van het traject is om bestuurders van de betrokken overheden, verenigd in het Bestuurlijk Overleg Kust (BOK) in staat te stellen om bovenstaande vraag te beantwoorden en vervolgens vast te leggen in een bestuurlijk arrangement. Daarvoor dient er duidelijkheid te zijn over de volgende aspecten van de problematiek van risicobeheersing in de buitendijkse delen van kustplaatsen. \u95 Verantwoordelijkheden en taken van de betrokken overheden \u95 Stand van zaken omtrent de vaststelling van leggers, keurzones, restricties, vergunning-/ontheffingverlening en communicatie naar burgers \u95 Bestaand (grond)gebruik en ruimtelijke plannen in buitendijks gebied \u95 (Ruimtelijk) economische belangen Dit document brengt de bestaande situatie hieromtrent in beeld, gebaseerd op informatie die beschikbaar is gesteld door alle betrokken overheidsorganisaties. De bestaande verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bijbehorende instrumenten om buitendijkse risico\u92s te beheersen is beschreven aan de hand van de stappen in de veiligheidsketen. Het document gaat in op de volgende hoofdonderwerpen: - Proactie en preventie - Preparatie en respons - Nazor
De waardering van het thermische binnenklimaat in de praktijk
De kwaliteit van het thermisch binnenklimaat wordt door de gebruikers van gebouwen als een bijzonder belangrijk criterium voor de beoordeling van de algehele kwaliteit van een gebouw ervaren. Wanneer een gebouw is ontworpen en de kwaliteit van het thermische binnenklimaat door middel van simulatieberekeningen is beoordeeld, wordt het gebouw gerealiseerd en in gebruik genomen. De thermische kwaliteit van het binnenklimaat wordt bepaald aan de hand van richtlijnen die gebaseerd zijn op de Temperatuur Overschrijding methode (TO), de Gewogen Temperatuur Overschrijding methode (GTO) of de Adaptieve Temperatuurgrenswaarden methode (ATG). De vraag die blijft bestaan is; of de koppeling van de simulatieprogramma’s en de praktijk wel goed is. Een kwaliteitscontrole van het thermische binnenklimaat wordt vrijwel nooit gedaan na de in gebruik name van een gebouw, omdat het te arbeidsintensief en te duur is om dit te doen. Daarnaast is het heel moeilijk om de resultaten van praktijkmetingen te interpreteren en een juiste uitspraak te doen over de kwaliteit van het thermische binnenklimaat in de gemeten ruimte(n) voor een langere periode. Hierdoor is niet na te gaan of de voorspelde kwaliteit van het thermische binnenklimaat wel wordt behaald.Design and ConstructionCivil Engineering and Geoscience
Duurzaamheid en comfort, van ontwerp naar praktijk
Praktijkevaluatie van duurzame kantoren waarbij de relatie tussen het ontwerpproces en de prestatie in de praktijk wordt onderzocht.InstallatiesBuilding TechnologyArchitectur
Prestaties van thermisch-comfort installaties in woningbouw in Nederland
Heden ten dage zijn er onoverzichtelijk veel verschillende klimaatinstallaties. Deze installaties geven vaak problemen in verschillende fasen van het bouwproces, zo ook in de ontwerpfase. In dit werk is een selectie van meest voorkomende installaties in de woningbouw integraal onderzocht in haar omgeving om de thermische en energetische prestaties vast te stellen. Om deze installaties te kunnen onderzoeken is er voor gekozen om zelf een computermodel op te zetten op basis van de Eindige Elementen Methode, waarin zowel het bouwfysische als het installatietechnische onderdeel zijn gemodelleerd. Het model is iteratief in overleg met bouwfysische en installatietechnische adviseurs tot stand gekomen. Het model is gevalideerd met behulp van VABI, door handmatige nacalculaties, en door vergelijkingen met andere reeds voor handen zijnde referenties. Uit het computermodel blijkt dat de thermostaat van grote invloed is op het gewenste binnenklimaat. Veel thermostaten meten enkel de luchttemperatuur en regelen de installaties dus niet op basis van de operatieve temperatuur. Hierdoor slaan luchtverwarmingsinstallaties te snel af, terwijl vloer- en wandverwarming te laat afslaat. Bij een regeling op basis van de operatieve temperatuur is de opwarming bij vloerverwarming nog steeds traag ten opzichte van radiatoren, terwijl (lokaal opgewekte) wand- en luchtverwarming 15 tot 30% sneller verwarmt. Dit komt doordat de laatste twee de warmte direct afgeven aan het vertrek, terwijl de ‘zware’ installaties eerst een watervoerend pakket en andere massa moeten verwarmen. ‘Zware’ installaties kennen dan ook nog steeds meer overshoot en energiegebruik als gevolg daarvan. Luchtverwarming gebruikt meer energie, omdat deze een ventilator gebruikt. Elektrische wandverwarming kent vergelijkbare energetische prestaties als radiatoren. Een warmtepomp (WP) verbruikt de minste primaire energie, maar kent zo een laag vermogen dat ze continue aan moet staan voor een goede verwarming. Tevens hebben ventilatie-installaties als warmteterugwinning (WTW) en vraagsturing (VS) invloed op de opwarming en het energieverbruik. VS zorgt ervoor dat er voor dat er bij afwezigheid maar 10% warmte verloren gaat t.o.v. 30% bij WTW en warmt dus sneller op. WTW kent echter minder energieverbruik, omdat deze ook bij aanwezigheid functioneert en dan ook tot 70% van de warmte terugwint. Onderzoek naar gebruikerspatronen heeft opgeleverd dat het continue laten aanstaan van de verwarming in een goed geïsoleerd gebouw 10 tot 15 % meer energie kost. Het kost slechts 1% wanneer ook WTW wordt toegepast. Tenslotte blijkt voor de zomer van belang dat er warmere zomers bestaan dan waar de normen nu rekening mee houden en die dus regelmatig overschreden worden. Verder blijkt het vermogen van koeling ontzettend van belang, omdat temperatuuroverschrijding vaak met grote warmtelasten gepaard gaat. Men moet tevoren preventief koelen om aan de normen te voldoen. Als het koelvermogen dan ook nog gering is, zoals bij een WP het geval is, is het moment dat de WP aanvangt met koelen vaak al te laat. Daarbij blijkt elektrische koeling bij een hogere setpoint (dus niet preventief) vergelijkbare energetische en thermische prestaties te behalen als een WP-koeling. Een regeling op basis van de operatieve temperatuur kan 10 tot 20% energie besparen bij veel verwarmingsinstallaties. Het verdient aandacht om regelingen door te ontwikkelen en aan te passen. Elektrische installaties blijken een betere thermische prestatie te kunnen leveren voor de opwarming. In combinatie met aanwezigheidsdetectie kan het 10 tot 15% energie besparen te opzicht van andere verwarmingsinstallaties. Echter gezien het primaire energieverbruik van elektrische energie is het dan gunstiger om continue te verwarmen met bijv. aardgas of zelfs een WP, in combinatie met WTW, omdat dan helemaal niet meer opgewarmd hoeft te worden en dit slechts 1% meer energie kost. Voor koeling is er nog geen comfortabel alternatief voor handen. Verder verdient het aanbeveling om andere klimaatjaren als referentie te gebruiken.Design and ConstructionCivil Engineering and Geoscience
Hoofdrichtingen voor risicobeheersing in kustplaatsen: Beheersing van kansen en gevolgen van kustafslag en overstroming tijdens zware storm in buitendijksgebied
In de Nederlandse kustplaatsen neemt de druk op de beschikbare ruimte voor wonen, werken, recreatie en mobiliteit toe. Tegelijkertijd zorgen zeespiegelstijging en grotere en langere golven ervoor dat de kans op schade aan buitendijkse bebouwing en infrastructuur bij extreme stormomstandigheden toeneemt. In de Nota Ruimte is daarom expliciet aandacht besteed aan de kustplaatsen en aan bebouwing op de waterkeringen. In tegenstelling tot de bebouwing achter de waterkering, die via de Wet op de Waterkering (1996) wordt beschermd, geniet buitendijkse bebouwing, op of voor de waterkering, namelijk geen wettelijke bescherming. Het is aan de gezamenlijke overheden om duidelijkheid te bieden wie welke rol moet, wil en kan vervullen bij de beheersing van buitendijkse risico\u92s in de kustplaatsen. De nota Pieken in de Delta en de Nota Ruimte onderstrepen de noodzaak van beleid voor buitendijkse bebouwing. De Nota Ruimte geeft aan dat \u93ontwikkeling van economische en toeristische activiteiten is toegestaan zolang de veiligheid van het achterland niet nadelig wordt beïnvloed en het niet leidt tot kostenverhoging van toekomstige versterkingswerken. Bij eventuele buitendijkse ontwikkelingen kan de veiligheid tegen overstromingen meestal niet worden geborgd\u94. In dit document worden vier verschillende hoofdrichtingen voor risicobescherming geformuleerd: A: Communicatie Variant B: Consolidatie Variant C: Maatwerk Variant D: Binnendijks Variant A: COMMUNICATIEVARIANT De gezamenlijke overheden geven bij de keuze voor hoofdrichting A invulling aan risicobeheersing in buitendijks gebied door: \u95 burgers en ondernemers buitendijks te informeren over hun risico\u92s; \u95 een \u91pool\u92 van verzekeraars in te stellen die de verzekerbaarheid van objecten tegen een redelijke premie mogelijk maakt; \u95 het bestaande beleid voor kustlijnhandhaving te continueren. B: CONSOLIDATIEVARIANT De gezamenlijke overheden geven bij de keuze voor hoofdrichting B invulling aan risicobeheersing in buitendijks gebied door: \u95 burgers en ondernemers buitendijks te informeren over hun risico\u92s; \u95 een \u91pool\u92 van verzekeraars in te stellen die de verzekerbaarheid van objecten tegen een redelijke premie mogelijk maakt; \u95 aanbevelingen te doen over hoe omgegaan moet worden met bebouwing (oud-, ver- en nieuwbouw) in buitendijks gebied; \u95 de huidige veiligheid te consolideren. Dit komt in de praktijk neer op het handhaven van de afslaglijnen (zandige kust) en het handhaven van de kans op overstromen van buitendijks gebied in kustplaatsen. C: MAATWERKVARIANT De gezamenlijke overheden geven bij de keuze voor hoofdrichting C invulling aan risicobeheersing in het buitendijks gebied door: \u95 burgers en ondernemers buitendijks te informeren over hun risico\u92s; \u95 indien nodig, verzekerbaarheid van objecten mogelijk te maken met een \u91pool\u92 van verzekeraars; \u95 aanvullende richtlijnen op te stellen over hoe omgegaan moet worden met bebouwing (oud-, ver- en nieuwbouw) in buitendijks gebied; \u95 een beschermingniveau te bieden aan de bewoners in buitendijks gebied, zonodig gedifferentieerd naar kustplaats. Als ondergrens wordt uitgegaan van het huidige niveau. Type en omvang van de benodigde fysieke maatregelen zijn maatwerk per kustplaats. D: BINNENDIJKSVARIANT De gezamenlijke overheden geven bij de keuze voor hoofdrichting D invulling aan de risicobeheersing in het buitendijks gebied door: \u95 het nieuwe buitendijkse gebied vrij van bebouwing te houden, conform de streekplannen; \u95 een wettelijk veiligheidsniveau te bieden dat gelijk is aan het aangrenzende achterland; \u95 burgers en ondernemers te informeren over hun risico\u92s, dat deze door ingrijpende maatregelen drastisch zullen afnemen. Bij hoofdrichting A neemt de kans op schade in het buitendijkse gebied door kustafslag of overstroming geleidelijk toe. Bij hoofdrichting D is er geen buitendijkse bebouwing in kustplaatsen en dus ook geen kans op schade. Bij de hoofdrichtingen B en C zal de kans op schade niet groter worden dan nu het geval is
Refinement of solutions to the linear complimentarity problem
Nash equilibrium;game theaory;matrices
Design metrics for evaluating the propulsive efficiency of future ships
There is an increasing need for the ship design process to take account of environmental issues such as the emission of greenhouse gases and the likely extension of a carbon dioxide charging mechanism to international shipping. These issues, together with the need for economic viability, provide further incentives to improve the efficiency of propulsion of ships. The main components of powering are firstly reviewed. Individual components and other power saving devices are identified which should contribute to improvements in the overall efficiency of propulsion. Suitable design metrics and procedures, taking into account economic and environmental factors, are recommended for the design of future ships
- …
