27 research outputs found
The novel of translation: multilingualism and the ethics of reading
In nineteenth-century Europe, the nation emerged as the dominant organizing structure for cultural community. Languages became national languages and prominent intellectuals began to understand translation as a nationalist enterprise. But novelists increasingly used translation in another way: as a means to reposition the reader as a site of potential group affiliation beyond national borders. The legacy of this challenge to national identification is the structural transformation of the novel’s address to its audience. My dissertation locates this transformation in the works of four major novelists who begin their careers as critics and translators but turn to narrative as the mode best suited to their examination of political and ethical sociality. I move from Thomas Carlyle’s fictional translation and Germaine de Staël’s Romatic-era theories of national character to George Eliot’s narratives of cosmopolitan sympathy and Virginia Woolf's interrogation of the communicative potential of private or, as she calls them, “little” languages. In each case, I reveal how translation is central to the writer's specifically narrative intervention in their readers’ conception of community, and I demonstrate that the novel’s turn to translation radically reorients the genre. Finally, I show that the novel’s investment in a newly sensitive reader anticipates the concerns of later translation theory, which also hinges on the capacity of its audience to be changed through encounters with unfamiliar words and stories.Ph. D.Includes bibliographical referencesby Jennifer R. Raterma
Modeling the effects of hydration on viscoelastic properties of nucleus pulposus tissue in shear using the fractional Zener model
Nucleus pulposus (NP) tissue in the intervertebral disc (IVD) is a viscoelastic material exhibiting both solid- and fluid-like mechanical behaviors. Advances in viscoelastic models incorporating fractional calculus, such as the Fractional Zener (FZ) model, have potential to describe viscoelastic behaviors. The objectives of this study were to determine whether the FZ model can accurately describe the shear viscoelastic properties of NP tissue and determine if the fractional order (α) is related to tissue hydration. 30 caudal IVDs underwent equilibrium dialysis in 5% or 25% polyethylene glycol solutions to alter tissue hydration. Excised NP tissue underwent stress relaxation testing in shear and unconfined compression. Stress relaxation data was fitted to the FZ model to obtain viscoelastic properties. In both loading modes, the initial modulus was greater for the less hydrated 25% equilibrated samples compared to 5% with no change in the equilibrium modulus. Samples with lower water content (25% samples) had shorter relaxation times in shear and longer time constants in compression, highlighting the different interactions between the fluid and solid matrix in loading modes. Samples with lower water content had α values closer to 0, indicating that less hydrated samples behaved more solid-like on the viscoelastic spectrum. Tissue hydration correlated with α values for 25% samples in shear. This study demonstrates that the FZ model may be used to describe IVD tissue behavior under both loading modes; however, the greatest utility of the FZ model is in describing flow-independent shear behaviors, and α may inform tissue hydration in shear.This article is published as Co, Megan, Chelsea Pack, Zachary Osborn-King, Brian Raterman, Arunark Kolipaka, Sarah A. Bentil, and Benjamin A. Walter. "Modeling the effects of hydration on viscoelastic properties of nucleus pulposus tissue in shear using the fractional Zener model." Journal of biomechanics 164 (2024): 111965. doi: https://doi.org/10.1016/j.jbiomech.2024.111965
Nucleus pulposus structure and function assessed in shear using magnetic resonance elastography, quantitative MRI, and rheometry
Abstract Background In vivo quantification of the structure–function relationship of the intervertebral disc (IVD) via quantitative MRI has the potential to aid objective stratification of disease and evaluation of restorative therapies. Magnetic resonance elastography (MRE) is an imaging technique that assesses tissue shear properties and combined with quantitative MRI metrics reflective of composition can inform structure–function of the IVD. The objectives of this study were to (1) compare MRE‐ and rheometry‐derived shear modulus in agarose gels and nucleus pulposus (NP) tissue and (2) correlate MRE and rheological measures of NP tissue with composition and quantitative MRI. Method MRE and MRI assessment (i.e., T1ρ and T2 mapping) of agarose samples (2%, 3%, and 4% (w/v); n = 3–4/%) and of bovine caudal IVDs after equilibrium dialysis in 5% or 25% PEG (n = 13/PEG%) was conducted. Subsequently, agarose and NP tissue underwent torsional mechanical testing consisting of a frequency sweep from 1 to 100 Hz at a rotational strain of 0.05%. NP tissue was additionally evaluated under creep and stress relaxation conditions. Linear mixed‐effects models and univariate regression analyses evaluated the effects of testing method, %agarose or %PEG, and frequency, as well as correlations between parameters. Results MRE‐ and rheometry‐derived shear moduli were greater at 100 Hz than at 80 Hz in all agarose and NP tissue samples. Additionally, all samples with lower water content had higher complex shear moduli. There was a significant correlation between MRE‐ and rheometry‐derived modulus values for homogenous agarose samples. T1ρ and T2 relaxation times for agarose and tissue were negatively correlated with complex shear modulus derived from both techniques. For NP tissue, shear modulus was positively correlated with GAG/wet‐weight and negatively correlated with %water content. Conclusion This work demonstrates that MRE can assess hydration‐induced changes in IVD shear properties and further highlights the structure–function relationship between composition and shear mechanical behaviors of NP tissue
Magnetic resonance elastography of brain: Comparison between anisotropic and isotropic stiffness and its correlation to age
Flexwater Pilot Noordoostpolder: Verkennend naar mogelijkheden voor brakwaterwinning met Optiwin
Dit rapport betreft een pilot studie van de derde fase van het Flexwater project. Doel van deze fase is het genereren en beoordelen van kansrijke nieuwe concepten voor productie en transport van drinkwater in bestaande situaties, zodat de drinkwatervoorziening kosteneffectiever wordt, minder verdroging veroorzaakt, de vergunde capaciteit beter wordt benut en beter is ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen. Voor de realisatie van het hierboven beschreven doel is een beslissingondersteunend planningsinstrument ontwikkeld (Optiwin), waarmee de bijdrage van flexibele oplossingen aan de optimalisering van de drinkwatervoorziening in beeld wordt gebracht. Het instrument bestaat uit een set effectmodellen en een optimalisatiemodule, gekoppeld met een GIS. Welke effectmodellen in de set worden opgenomen varieert afhankelijk van de doelstellingen van het betreffende onderzoek. De eerste stappen in de bouw van dit instrument zijn in de onderhavige studie gerealiseerd,'verdere ontwikkeling vindt plaats in de tweede Flexwater pilot, bij Brabant Water. In de onderhavige pilot studie zijn kansen en mogelijkheden voor brakwaterwinning in de Noordoostpolder onderzocht. Vanuit het perspectief van het bedrijfstakonderzoek (BTO) staat de ontwikkeling van Optiwin centraal, maar ook is brakwater een nieuw brontype voor de Nederlandse drinkwatersector en is het daarom nuttig om mogelijkheden van brakwaterwinning in de Noordoostpolder te verkennen. Het grondwater vabrontypen de Noordoostpolder is op veel plaatsen brak. De zoutconcentratie neemt geleidelijk toe met de diepte. Uit berekening van de B EX (base-exchange index) volgens Stuyfzand blijkt dat onder de Noordoostpolder verzilting optreedt. Dit fenomeen is een gevolg van de aanleg van de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders. Brakwater vanuit de tijd van de Zuiderzee stroomt onder invloed van de hydraulische gradiënt geleidelijk richting de Noordoostpolder en komt daar als kwel in het slotenstelsel. Deze kwel heeft een negatieve invloed op de ecologische kwaliteit van oppervlaktewater in de polder en -na uitgeslagen te zijn door de gemalen -het IJsselmeer
Flexwater: Inventarisatie van bronnen, berging, zuivering en infrastructuur
De Nederlandse drinkwaterproductie is georganiseerd volgens een succesvolle formule, waarin schaalvergroting en clustering van productielocaties een belangrijke rol spelen. Diverse ontwikkelingen maken het noodzakelijk om de huidige inrichting van de watervoorziening tegen het licht te houden: klimaatverandering, onzekere watervraag, terrorisme, vervanging van infrastructuur, fusies, waterwinningen met kwaliteitsproblemen en technologische ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen stellen waterbedrijven continu voor de uitdaging om de watervoorziening te (her) optimaliseren, de randvoorwaarden en uitgangspunten voor (investerings)beslissingen veranderen immers. Flexibilisering van de drinkwatervoorziening is een oplossingsrichting om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden en de watervoorziening verder te optimaliseren (kosten, leveringszekerheid en milieu-impact). Flexibilisering omvat de zoektocht naar nieuwe bronnen voor drinkwaterproductie, verkend mogelijkheden voor waterberging (voor het overbruggen van schaarse periodes) en distributievraagstukken zoals variatie in transportkosten en de reductie van de piekfactor. Om flexibele opties en concepten te ontwikkelen is informatie verzameld over de beschikbaarheid en kwaliteit van bronnen (9 typen), kostenindicaties voor zuivering en transport en mogelijkheden voor waterberging. Beschikbaarheid van water. Op basis van berekeningen van de beschikbaarheid (voorraad en jaarlijkse aanvulling) van 9 typen bronnen is geconcludeerd dat er in Nederland water in overvloed is (neerslagoverschot, de aanvoer van oppervlaktewater en de aanwezigheid van dikke watervoerende grondlagen). De omvang van jaarlijks incidenteel beschikbare bronnen, zoals bemalingen, variëren sterk per provincie (variërend van 4-34 Mm3/ jaar) en zijn interessant als bron voor drinkwaterproductie mits het watervraagpunt dicht bij de bron ligt. Zuiveringskosten en transportkosten. Voor 9 typen beschikbare bronnen is de gemiddelde waterkwaliteit vastgesteld, op basis waarvan zuiveringsschema's zijn ontwikkeld voor drie verschillende productiecapaciteiten (0,5 Mm3/jaar, 5 Mm3/jaar en 50 Mm3 / jaar), uitgesplitst naar een zuiveringsvariant met conventionele technologie en een zuiveringsvariant met geavanceerde technologie (membranen). De kosten (afschrijving en verbruikskosten) van een grote installatie zijn lager dan van kleine installaties (zie figuren), afhankelijk van de schaalfactor. Omdat de schaalfactor afhankelijk is van de proceskeuze en bronkeuze, kan het voorkomen dat de inzet van membranen voor kleine capaciteiten aantrekkelijk is, terwijl conventionele zuiveringen voor grote capaciteiten het goedkoopst zijn
Stedelijk waterbeheer en drinkwaterwinning: Verkenning van de haalbaarheid van stedelijke drinkwaterwinningen
Er zijn drie ontwikkelingen die de aanleiding vormen voor het onderzoek naar stedelijke grondwaterwinning voor drinkwaterbereiding: - Verstedelijking; - Ontwikkeling in de zuiveringstechniek; - Ontwikkelingen in stedelijke watersystemen. Sinds 1970 is de omvang van het bebouwde gebied toegenomen van 8 naar ruim 12% van de oppervlakte van Nederland (RIVM, 2003). Alleen al tussen 1996 en 2001 is het stedelijke gebied in Nederland met ruim 5% toegenomen (Segrave, 2004). De toenemende verstedelijking van Nederland heeft als gevolg dat in het intrekgebied van een substantieel aantal winningen het aandeel stedelijk landgebruik toeneemt
