1,721,029 research outputs found
Accelerate sustainable mobility. Aiming for decrease of car ownership in an outer urban area
Transport accounts for a significant share of greenhouse gas emissions and cars occupy much space in cities in a very inefficient way. Larger cities start to ban cars from their highly urbanized areas, but it is unclear whether this is also applicable to an outer urban area, like the considered case of Vossenpels-Noord in Nijmegen, because many of these developments have other underlying arguments than the development of Vossenpels-Noord, which is only because of sustainability. Three similar cases, opinions of experts and the willingness of inhabitants of surrounding neighborhoods have been investigated in interviews and the formulated conditions have been concretized and applied to the case of Vossenpels-Noord in a workshop. In the results, it is emphasized that this development concerns large risks and this concept of low car ownership should first be implemented in more urbanized areas. If the municipality is going to implement the concept in Vossenpels-Noord, the motivation of future inhabitants plays a large role, which is necessary to have other instruments successfully implemented. Only a combination of a number of instruments can lead to lower car ownership if some intention is present. Based on the results, two recommended future scenarios are considered
Samen naar klimaatbestendige steden : Potentie van publiek-private samenwerking bij de aanpak van hitte in Nederlandse steden
In dit onderzoek wordt vanuit een netwerkbenadering gekeken in hoeverre samenwerking tussen
publieke en private partijen mogelijk is bij de aanpak van hittestress in Nederlandse steden. De cases
die daarbij onderzocht worden, zijn Rotterdam en Arnhem. Beide steden zijn rond 2009 begonnen
met het onderzoek naar hittestress. Aangezien de steden zich rond 2011 nog steeds in de fase van
probleemverkenning en kennisontwikkeling bevonden, zal dit onderzoek een verkennend karakter
hebben. Er is namelijk ook nog geen eerder onderzoek geweest naar de mogelijkheden van een
publiek- private samenwerking op het gebied van hittestress.
Het doel van het onderzoek is aanbevelingen doen over het gebruik van publiek- private
samenwerking bij het stedelijk hittebeleid in Nederland, door de potentie voor publiek- private
samenwerking bij de aanpak van hitte in Rotterdam en Arnhem te analyseren. De vraag die daarbij
centraal staat is: In hoeverre heeft publiek- private samenwerking potentie bij de aanpak van hitte in
Rotterdam en Arnhem
Klimaatbestendige steden: Rotterdam en Kopenhagen : Beïnvloedende factoren voor koplopers in klimaatadaptatiestrategieën
Ons functioneren op aarde wordt voor een groot deel bepaald door het klimaat. Veranderingen in
het klimaat kunnen verschillende, risicovolle effecten met zich mee brengen voor de mens. Vooral op
plekken waar veel mensen samen wonen, werken en leven kunnen klimaateffecten desastreuze
gevolgen hebben. Dit is niet zo verwonderlijk omdat bijvoorbeeld in Europa driekwart van de mensen
in steden wonen en daar dus veel schade kan ontstaan. Gebleken is, dat extremere
weeromstandigheden zoals hittegolven, overstromingen en droogte, meer frequent zullen
voorkomen in steden. Dat terwijl klimaatveranderingen vaak niet, of op lange termijn pas,
omkeerbaar zijn.
Klimaatveranderingen kunnen twee soorten reacties naar voren brengen, namelijk mitigatie en
adaptatie. Mitigatie betekent het beperken of verzachten van klimaatveranderingen door emissies
van broeikasgassen terug te dringen. Adaptatie is actie gericht op aanpassing ten behoeve van
huidige of verwachte klimaatveranderingen om hier beter mee om te gaan.
Hoewel in de afgelopen jaren mitigatie veel meer aandacht heeft gekregen, begint nu
langzaam de aandacht te verschuiven naar adaptatie. Toch zien we klimaatadaptatie nog niet veel
voorkomen in steden. Dit komt omdat steden vaak het probleem nog niet erkennen of niet over de
nodige middelen beschikken. Daarom is het interessant om naar het concept van ‘first movers’ te
kijken. Enkele steden zetten als eerste een transitie in en vervullen hierin een koploperfunctie.
Andere steden zien na een tijd het succes en zullen dit gedrag kopiëren. Wanneer we weten wat
steden motiveert om klimaatadaptatiestrategieën te ontwikkelen en toe te passen, kunnen prikkels
gegeven worden aan steden die hier nog niet actief in zijn maar wel het nodige risico lopen. Het is
daarom interessant om vooral naar steden te kijken die al ver in het proces zijn en daarmee al de
nodige kansen en bedreigingen hebben gezien. Door in beeld te krijgen welke factoren het gedrag
van koplopers beïnvloeden en wat voor- en nadelen zijn, kunnen andere steden hier van leren.
Tot nog toe is er het een en ander bekend over koplopers, maar een theoretisch achtergrond
over steden die koploper zijn in klimaatadaptatie ontbreekt in de wetenschap. Wel is er een artikel
geschreven door Jänicke (2005) waarin koplopende landen in milieubeleid centraal staan en waarin
beschreven wordt welke factoren van invloed zijn op deze rol als koploper. Deze theorie is belangrijk
geweest voor dit onderzoek. Door de theorie te gebruiken als reflectie en door de belangrijkste
beïnvloedende factoren te onderzoeken is dit onderzoek zowel theoretisch als maatschappelijk
relevant. Het doel dat centraal staat in dit onderzoek luidt: ‘Inzicht krijgen in de factoren die de
adaptatiestrategieën van koplopende steden beïnvloeden, door een vergelijkende casestudy te
verrichten naar Rotterdam en Kopenhagen, twee koplopende steden op het gebied van
klimaatadaptatie’. De centrale vraag die hierbij past gaat als volgt:
Welke factoren beïnvloeden de klimaatadaptatiestrategie van twee stedelijke koplopers, Rotterdam
en Kopenhagen
Linksom of rechtsom? Een kijk op het duurzaamheidsbeleid van Breda
Samenwerking is iets waar de gemeente Breda zich op concentreert voor de uitvoering van het
duurzaamheidsbeleid van de stad. Deze samenwerking gebeurt door middel van een
samenwerkingsverband, de Bredase Energieraad. Deze raad is opgesteld om nieuwe
ontwikkelingen te bespreken en projecten te realiseren (Gemeente Breda, 2008). De leden zijn
onder meer afkomstig van verschillende bedrijven, corporaties en gemeente: Wonen Breburg,
Essent, De Volharding Breda, BAM Vastgoed, Uneto-VNI, Rasenberg, Rabobank, Rinus Roovers
Architecten, SOAB, Gemeente Breda en Avans Hogeschool. Aangezien al deze partijen een eigen
zienswijze hebben op het duurzaamheidsbeleid, is het interessant om te zien of deze zienswijzen
ook terug te vinden zijn in het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Breda. Het doel van deze
bachelorthesis is inzicht te krijgen in de zienswijzen van de leden van de Bredase Energieraad op
het duurzaamheidsbeleid van Breda om te zien of dit aansluit op de zienswijzen van het gevoerde
beleid. Wanneer dit in kaart wordt gebracht krijgt men een beeld van de verschillen en/of
overeenkomsten tussen het daadwerkelijke beleid en de zienswijzen van de leden van de Bredase
Energieraad. De hoofdvraag voor het onderzoek luidt: ‘Sluit het duurzaamheidsbeleid van de
gemeente Breda aan op de zienswijzen van de leden van de Bredase Energieraad?’
De theorie die voor het onderzoek wordt gebruikt is de Cultural Theory. De Cultural
Theory is een theorie die oorspronkelijk is ontwikkeld om mensen te kunnen classificeren in
bepaalde groepen. Deze groepen zijn de groepen Fatalisme, Hierarchy, Individualisme en
Egalitarianisme.
Er is sprake van twee onderzoeksgebieden, om deze te onderzoeken zijn er twee
verschillende onderzoeksstrategieën gebruikt. De twee onderzoeksgebieden zijn het
onderzoeksgebied van de Bredase Energieraad en het onderzoeksgebied van het beleidsstuk ‘Steek
positieve energie in het klimaat, Breda: een CO2-neutrale stad in 2044’.
Voor het onderzoek naar de zienswijzen van de leden van de Bredase Energieraad is er
gekozen voor een Survey-onderzoek. Dit is een kwantitatief onderzoek. Het Survey-onderzoek
wordt uitgevoerd door middel van een schriftelijk interview. Dit schriftelijk interview bestaat uit 24
stellingen en drie open vragen, hierdoor krijgt men onder meer de mogelijkheid om zijn of haar
mening toe te lichten. De analyse wordt uitgevoerd door middel van de Clustermethode, deze
methode zorgt ervoor dat verkregen data kan worden gemeten in het grid-group model van de
Cultural Theory.
Voor het onderzoek naar de zienswijzen van het beleidsstuk is er gekozen voor een
Bureauonderzoek. Dit betreft een kwalitatief onderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de
tekst te analyseren waarvoor het programma Atlas Ti wordt gebruikt
Sociale oorzaken van ziekten bij geiten : Een vergelijking tussen intensieve en biologische geitenhouderijen
Dierziekten staat dit moment volop in de aandacht door de gevaren voor de mensheid
en het dierenleed. Deze ziekten komen echter steeds meer voor. In 2001 brak mond- en
klauwzeer uit waarbij veel koeien geruimd moesten worden (Koninklijke Bibliotheek, 2001), in
2008 vond blauwtong plaats (Voedsel en Waren Autoriteit, 2009) en nu anno 2010 vindt Qkoorts
plaats onder geiten. Ook nu moeten er veel geiten geruimd worden. Om dit te
voorkomen, moet er meer inzicht komen in de sociale oorzaken van dierziekten, want nu is
dit nog erg versnipperd. De sociale oorzaken houden de oorzaken in waar de mens invloed
op heeft. De geitenhouderij is een sector die nog maar sinds midden jaren tachtig bestaat
waardoor er nog weinig onderzoek naar is gedaan. In dit onderzoek wordt gekeken wat de
sociale oorzaken zijn van ziekten bij geiten. Hierbij wordt een vergelijking getrokken tussen
de gangbare en biologische geitenhouderijen. Er wordt een antwoord gegeven op de
volgende doelstelling:
Het doel van deze bachelorscriptie is een overzicht te geven van de voor- en nadelen
van de gangbare en biologische geitenhouderijen op het gebied van ziekten bij geiten
door inzicht te geven in de sociale oorzaken van ziekten bij geiten in Nederland
Groen licht in het Groene Woud? Een onderzoek naar de faalfactoren bij de totstandkoming van een publiek-private samenwerking, ter realisatie van multifunctioneel, klimaatadaptief landgebruik in het Groene Woud
In deze bachelorthesis is er onderzoek gedaan naar de faalfactoren bij de totstandkoming van een
publiek-private samenwerking, ter realisatie van multifunctioneel, klimaatadaptief landgebruik in
het Groene Woud. Het doel van dit praktijkgerichte onderzoek is kennis verschaffen die een
bijdrage levert aan het toekomstig beleid van de provincie Noord-Brabant voor de toepassing van
een publiek-private samenwerking voor klimaatadaptief, multifunctioneel landgebruik in het
Groene Woud. Deze kennis is tot stand gekomen door de belangrijkste faalfactoren te analyseren
die naar voren zijn gekomen bij de totstandkoming van de publiek-private samenwerking ter
realisatie van multifunctioneel, klimaatadaptief landgebruik in Het Groene Woud. De centrale
vraag in dit onderzoek luidt: ‘Welke faalfactoren hebben een rol gespeeld bij de totstandkoming
van een publiek-private samenwerking, ter realisatie van multifunctioneel, klimaatadaptief
landgebruik in het Groene Woud?
De partnerschapstrategie van het WNF : one-size-fits-all?
Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat het WNF een voorbeeldfunctie heeft bij het aangaan
van partnerschappen met bedrijven. Omdat er nog weinig bekend is in de literatuur over de mate
waarin het WNF een “one-size-fits-all” strategie toepast op verschillende partners, zijn in dit
onderzoek twee verschillende partnerschappen van het WNF bestudeerd.
Omdat zij op verschillende punten van elkaar verschillen zijn de partnerschappen met Eneco en
de Rabobank onderzocht. De verschillen zijn aan te merken op het gebied van core business,
eigenaren en focus van het partnerschap. De doelstelling van mijn onderzoek is:
een bijdrage te leveren aan de inzichten in de strategie die het WNF hanteert in partnerschappen
met bedrijven, door een analyse te maken van twee verschillende huidige partnerschappen van
het WNF, teneinde handvatten aan te reiken bij het ontwikkelen van succesvolle partnerschappen.
De vraagstelling van mijn onderzoek is afgeleid van de doelstelling. Aan het einde van deze thesis
geef ik een antwoord op de centrale vraag van mijn onderzoek, deze luidt als volgt:
Welke verschillen zijn te onderscheiden in de strategie die het WNF hanteert in haar
partnerschappen met Eneco en de Rabobank en hoe draagt deze strategie bij aan het succes van
een partnerschap
Crossborder integration between The Netherlands and Belgium - The case of water quality in the Meuse River Basin
The threat to water quality accelerated by population growth and climate change emphasizes the importance of the wise management of water resources and aquatic ecosystems to ensure that clean water continues to be available at an affordable cost in the future. While obstacles to successfully coping with domestic river management problems can be formidable; issues of pollution along with other problems on transboundary rivers appear to be particularly difficult to solve. The adoption of the water framework directive (WFD) in Europe aimed to solve those problems by reinforcing crossborder cooperation between riparian states. The aim of this research project is to examine the level of crossborder integration in the Meuse River basin between the Netherlands and Belgium on water quality, after the introduction of the WFD. In order to measure the effectiveness of co-operation the Policy Arrangement Approach (Arts & Leroy, 2006) and the 3 C’s (co-operation, coordination, collaboration) (McNamara, 2012) theories will be applied. This research is a single case study focused on the Meuse river basin with three sub parts: the Flemish-Dutch border area, the Walloon-Dutch border area and the shared catchment as a hole. Through semi-structured interviews, observations and a policy document analysis, the level of crossborder integration it is determined. Findings indicate that the integration in the area is at its infancy. Despite the high motivation and commitment of the partners, the findings demonstrate that the desired results are not achieved. To be fully efficient, the integration effort will need further improvement. Recommendations as to how these may be addressed are presented at the end of this research
Samenhang door afscherming : Over de relatie tussen fysieke afscherming en sociale cohesie in afgeschermde woondomeinen
Kansen in klimaatverandering; Een onderzoek naar het op gang brengen van een leerproces voor een positievere kijk op klimaatverandering
Dit onderzoek richt zich op inzicht krijgen in de mogelijkheden om kansen in klimaatverandering te realiseren, door het discours rondom de omgang met klimaatverandering in Overijssel in beeld brengen en in dit discours een leerproces op gang te brengen over kansen in klimaatverandering in het project ‘Landgoederen Oldenzaal’. Dit is gedaan aan de hand van drie theorieën: de discourstheorie van Hajer, de transitietheorie van Loorbach en Rotmans en de organisatieleren theorie van Argyris. Eerst is er een discoursanalyse gedaan van de omgang met klimaatverandering in Overijssel, dit zorgde voor een kader en startpunt. Vervolgens is er een workshop georganiseerd waarin er een onderhandelingsspel is gespeeld. In deze workshop zijn alle drie de theorieën aan bod gekomen. Uit de analyse is gebleken dat er discursieve ruimte is om in het huidige discours om kansen in klimaatverandering te introduceren. Hierbij moet rekening worden gehouden met de belemmerende factoren, zoals een sterk waterdiscours. Verder bleek dat de deelnemers van de workshop makkelijk leerden, maar dat dit leren vooral gericht was op kansen voor klimaatadaptatie
- …
