12,066 research outputs found

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868

    Supplemental Material - Practice of Supporting Family Caregivers of Patients with Life-Threatening Diseases: A Two-phase Study Among Healthcare Professionals

    No full text
    Supplemental Material for Practice of Supporting Family Caregivers of Patients with Life-Threatening Diseases: A Two-phase Study Among Healthcare Professionals by Hinke E. Hoffstädt, MSc, Jannie A. Boogaard, PhD, Marcella C. Tam, MSc, Leti van Bodegom-Vos, PhD, Arianne Stoppelenburg, PhD, Iris D. Hartog, PhD, Yvette M. van der Linden, MD, PhD, and Jenny T. van der Steen, PhD, FGSA in American Journal of Hospice and Palliative Medicine®</p

    Understanding the impact of main cell wall polysaccharides on the decomposition of ectomycorrhizal fungal necromass

    No full text
    The extramatrical mycelium of ectomycorrhizal fungi (EMF) is an important source of soil carbon and nitrogen. While the importance of recalcitrant compounds in the fungal cell wall has been explored earlier, the contribution of highly abundant but labile components, like glucans, and the role of their temporal dynamics during decomposition remains unknown. For the first time, we examined how the concentration of three main fungal cell wall components (chitin, melanin, glucans) in EMF necromass are related to necromass decomposition, over a period of 6 weeks. Although the initial concentrations of the three components were not good predictors of necromass loss, we found species-specific trends of chitin and glucans loss over time. The chitin concentration during decomposition was tightly linked to the weekly necromass degradation, with trends of chitin loss being dissimilar across fungal species. Chitin concentration was positively correlated with the mass loss in the first week, but in the remaining 5 weeks, it was found to be weakly negatively correlated with mass loss. The similarity in susceptibility to the decomposition of glucans and chitin likely compensates for the impacts of interspecific differences in their initial concentration, leading to overall similar decomposition patterns. Alternatively, other, non-measured, components (e.g., glycoproteins, N content) may contribute to explaining similar decomposition patterns. Our results indicate that ectomycorrhizal necromass decomposition processes differ from those of plant litter decomposition with, unlike in plants, differences in initial concentrations of major structural carbohydrates (e.g., glucans) being unrelated to differences in decomposition rates. These findings indicate that the decomposition of fungal material cannot be inferred from assumptions based on data provided by studies of plant decomposition.The Netherlands Organization for Scientific research, Grant/Award Number: 016.161.31

    Upscaling methane emissions from rice paddies: problems and possibilities.

    No full text
    Global methane emission estimates depend highly on the models, techniques, and databases used. Since emissions cannot be measured directly at large scales, it is impossible to judge which estimate is more realistic. In this paper, different aspects of uncertainty in upscaling methane emissions from rice paddies are discussed. These aspects are visualized by a case study on the spatial upscaling of methane emissions from the island of Java, Indonesia. The first aspect concerns process information. An approach to incorporate this information in a simplified but process-based way in predictive models is discussed. Sources of uncertainty include the methane emissions measurements, processes quantification, process simplification, and the use of data transfer functions. Data availability of input parameters, the second aspect, is uncertain because of differences between different data sources, the use of data sources for purposes not originally planned for, and the scale at which data are available. Data interpolation in combination with nonlinear model responses introduces scaling errors, the third aspect. Data accuracy introduced the highest uncertainties in emission estimates but is rarely accounted for in the estimation of global emissions

    Optimaliseren van de ruimteakoestiek voor de leslokalen en studieruimtes van het nieuwe Conservatorium van Amsterdam

    No full text
    Het doel van dit afstudeeronderzoek was het optimaliseren van de ruimteakoestiek voor de leslokalen en studieruimtes van de nieuwbouw van het Conservatorium van Amsterdam. Daarbij werd de noodzakelijkheid om de akoestiek in een ruimte aan te kunnen passen onderzocht. Een comfortabele akoestiek houdt in dat de ruimte prettig te bespelen is, het natuurlijke geluid van het instrument niet wordt aangetast, het creatieve proces niet in de weg gestaan wordt en het niet vermoeiend is om langere tijd in de ruimte te verblijven. Voor docenten is het daarom van belang dat de instrumenten niet te luid klinken en het geheel niet zo galmend is dat het moeite kost om de verschillende tonen te kunnen onderscheiden. Studenten worden in de lessituatie juist gesteund door galm en kunnen daardoor comfortabel musiceren. In de studieruimtes wordt individueel geoefend, waardoor de akoestiek daar vaak wat droger en dus confronterender mag zijn. In deze kleinere ruimtes bleek de invloed van de luidheid veei groter. Over het algemeen kan gesteld worden dat de akoestiek goed is als deze eigenlijk niet opgemerkt wordt. Hetzelfde geldt voor andere comfortaspecten als bijvoorbeeld licht- en luchtkwaliteit. Voor het dit project werden twee testruimtes gebouwd om te onderzoeken wat voor verschillende instrumenten de akoestische gewenste configuratie van de breedbandabsorptiepanelen is. Deze panelen, die zowel laag-, midden- als hoogfrequent ongeveer gelijk absorberen, bleken in de metingen beter te absorberen dan bij een eerder advies was aangenomen. Door het toevoegen, verplaatsen of verwijderen van de panelen in de testruimte, konden de verschillende akoestische parameters aangepast worden. Meer panelen leveren meer absorberend vermogen op, waardoor de nagalrnt korter wordt en het luidheidsniveau lager. Door het breedbandige karakter van de panelen was de bass-ratio, de verhouding tussen de verschillende frequenties, goed. De goede verdeling van de panelen op de wanden en het plafond heeft een positieve invloed op het ervaren van het klankbeeld. De ruimtelijkheid bleek voor leslokalen en studieruimtes nauwelijks van belang te zijn, De invloed van verschillende opstellingen werd zowel objectief als subjectief getest. Er werden nagalmtijd- en luidheidsmetingen verricht in de testruimtes. Tevens werd de nagalmtijd van de huidige lokalen gemeten. Voor de subjectieve ervaring werd getest met de toekomstige gebruikers, de docenten en studenten van het CvA. Als voorbereiding op de te onderzoeken onderdelen werd een enqu opgezet, die door 65 muzikanten is ingevuld. In de testruimtes werd naast het invullen van testformulieren, de discussie met de docenten en studenten aangegaan over de beoordeling van de akoestiek. Hier kwamen tevens functionele aspecten aan de orde. De vraag hoe deze subjectieve aspecten vertaald kunnen worden naar een objectief model, wordt beantwoord met formules voor verschillende instrumentgroepen. Verschillende instrumenten stellen namelijk sterk uiteenlopende eisen aan de ruimteakoestische voorzieningen. Modellen zijn opgesteld voor jazzbiazers, koperblazers, houtblazers, fluiten, snaarinstrumenten, piano, orgel, strijkers, elektrisch versterkte instrumenten, contrabas jazz, zang, niet-melodisch slagwerk, mallets, pauken, koperensemble, jazzcombo/popband, klassiek ensemble, theorie algemeen en theorie solfège. Anders dan bestaande beschrijvingen van de gewenste nagalmtijd voor muziekzalen, zoals Cremer en Müller en N en de Vries deze opgesteld hebben, blijkt de invloed van de luidheid voor kleinere ruimtes sterk van invloed te zijn, waardoor van een ander basismodel uit moet worden gegaan. Voor grote zalen geldt de volgende gangbare formule voor bepaling van de gewenste nagalmtijd (RT): log RT = a log V+ b [11.3] Het model dat met dit onderzoek voor kleine ruimtes is opgesteld, is hieronder weergegeven. RT = p log V+ q [11.6] Hierbij zijn p en q constanten, die afhankelijk zijn van de instrumentgroep. Aan de hand van de indeling in instrumentgroepen kon voor de leslokalen van het nieuwe CvA advies uitgebracht worden over de hoeveelheid panelen die per lokaal benodigd is. Daarbij wordt aangetekend dat de panelen zo goed mogelijk verdeeld moeten worden over de wanden en het plafond. Door de duidelijke labeling van instrumentg roepen aan lokalen, is het in het nieuwe CvA overbodig om variabele akoestiek toe te passen in de leslokalen en studieruimtes. Variabele akoestiek wordt alleen aangeraden als er instrumenten met verschillende akoestische eisen of zowel solo- als ensembiespel in dezelfde ruimte plaatsvindt. In de leslokalen kan de akoestiek per semester worden aangepast. Dit is van belang als er een andere instrumentgroep in een ruimte komt of als docenten een kleine aanpassing in de hoeveelheid of plaatsing van de panelen willen. Omdat de studieruimtes niet per instrumentgroep te labelen zijn uit oogpunt van flexibiliteit en bezettingsgraad, is hier gekozen voor het ontwerpen van drie akoestische milieus. Deze zijn gekoppeld aan de plattegronden van de nieuwbouw.Architectur

    Voetbaldetectie met behulp van radar: de ontwikkeling en evaluatie van software voor een prototype

    No full text
    Deze thesis beschrijft de ontwikkelling van software die op basis van FMCW-radargegevens een voetbal kan detecteren en volgen. De problemen die zich daarbij voordoen zijn onder andere het maken van onderscheid tussen voetballen en andere objecten, het volgen van een voetbal en het omgaan met complexe situaties zoals die zich in het voetbalspel voordoen. De software is opgesplitst in drie delen, namelijk objectdetectie, objecttracking en objectclassificatie. Goede objectdetectie is essentieel voor het kunnen tracken van objecten, en goede tracking is belangrijk om objecten juist te kunnen classificeren. Tot slot vindt er besluitvorming plaats op basis van de door de objecttracking en objectclassificatie verzamelde gegevens. Een studie is gedaan naar deelconcepten die mogelijke oplossingen vormen voor de verschillende delen in het eindontwerp. Tevens zijn er enkele deelconcepten onderzocht en getoetst. Op basis van het gedane onderzoek en de gevonden resultaten is er software voor een prototype in Matlab ontwikkeld en gelueerd. Het prototype is vooral bedoeld om verschillende oplossingen voor de verschillende deelsystemen te kunnen evalueren. Het detecteren van objecten vindt in het prototype plaats door middel van piekdetectie. De drempel die hierbij toegepast wordt, kan vast ingesteld worden maar kan ook adaptief bepaald worden met behulp van een CFAR detector. Voor het volgen van objecten kan gebruik gemaakt worden van zowel de dichtstbijzijnde nabuurmethode als een methode die gebruik maakt van een Kalman filter. Objectclassificatie vindt in het prototype plaats op basis van de mate van constantheid van de reflectie van een object. Andere alternatieven zoals het detecteren van een verschil in reflectie bij verschillende polarisatierichtingen, of het gebruik van RFID-chips zijn niet toegepast, omdat deze niet geschikt leken in de gebruikte opstelling of niet beschikbaar waren. Uit de evaluatie van het prototype blijkt dat in sterk vereenvoudigde spelsituaties het systeem aan van de twee gestelde nauwkeurigheidseisen voldoet. Het beeldverwerkingsysteem wordt in meer dan 75% van de gevallen terecht voor een naderende bal ingeschakeld en niet voor een ander naderend object. Het komt echter te vaak voor dat het beeldverwerkingsysteem niet ingeschakeld wordt terwijl er wel een bal aan komt. De beste combinatie om objecten te volgen bestaat uit het Kalman filter met een CML-CFAR detector. De gebruikte classificatiemethode blijkt niet goed genoeg te zijn om gebruikt te worden in de uiteindelijke implementatie. Het prototype classificeert 80% van de ballen juist in situaties waarin de bal duidelijk voor de radar zichtbaar is. Wanneer de bal zich echter in de buurt van een ander object bevindt, treden er classificatiefouten op.Electrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc

    Carbon nanoparticles in lateral flow methods to detect genes encoding virulence factors of Shiga toxin-producing Escherichia coli

    No full text
    The use of carbon nanoparticles is shown for the detection and identification of different Shiga toxin-producing Escherichia coli virulence factors (vt1, vt2, eae and ehxA) and a 16S control (specific for E. coli) based on the use of lateral flow strips (nucleic acid lateral flow immunoassay, NALFIA). Prior to the detection with NALFIA, a rapid amplification method with tagged primers was applied. In the evaluation of the optimised NALFIA strips, no cross-reactivity was found for any of the antibodies used. The limit of detection was higher than for quantitative PCR (q-PCR), in most cases between 10 4 and 10 5 colony forming units/mL or 0.1-0.9 ng/¿L DNA. NALFIA strips were applied to 48 isolates from cattle faeces, and results were compared to those achieved by q-PCR. E. coli virulence factors identified by NALFIA were in very good agreement with those observed in q-PCR, showing in most cases sensitivity and specificity values of 1.0 and an almost perfect agreement between both methods (kappa coefficient larger than 0.9). The results demonstrate that the screening method developed is reliable, cost-effective and user-friendly, and that the procedure is fast as the total time required is <1 h, which includes amplification. © 2010 The Author(s).This work was partially supported by the Generalitat Valenciana (BEST/2009/026), the Universidad Politecnica de Valencia (PAID-00-09-2837), and by the Dutch Ministry of Agriculture, Nature and Food Quality (KennisBasis 6 programme). The authors would like to thank Dr. Eva Moller Nielsen at the Danish Veterinary Institute (Copenhagen, Denmark) for providing E. coli control strains and Dr. Lutz Geue (Friedrich-Loeffler-Institut, Wusterhausen, Germany) and Dr. Dorte Dopfer (School of Veterinary Medicine, University of Wisconsin, Madison, WI, USA) for field isolates.Noguera Murray, PS.; Posthuma-Trumpie, G.; Van Tuil, M.; Van Der Wal, F.; De Boer, A.; Moers, A.; Van Amerongen, A. (2011). Carbon nanoparticles in lateral flow methods to detect genes encoding virulence factors of Shiga toxin-producing Escherichia coli. Analytical and Bioanalytical Chemistry. 399:831-838. https://doi.org/10.1007/s00216-010-4334-zS831838399Alocilja EC, Radke SM (2003) Biosens Bioelectron 18:841–846Lazcka O, Campo FJD, Muñoz FX (2007) Biosens Bioelectron 22:1205–1217Nataro JP, Kaper JB (1998) Clin Microbiol Rev 11:142–201Meng J, Doyle MP (1998) Bull Inst Pasteur 96:151–163Karmali MA, Gannon V, Sargeant JM (2010) Vet Microbiol 140:360–370de Boer E, Beumer RR (1999) Int J Food Microbiol 50:119–130Ivnitski D, Abdel-Hamid I, Atanasov P, Wilkins E (1999) Biosens Bioelectron 14:599–624Tokarskyy O, Marshall DL (2008) Food Microbiol 25:1–12Chemburu S, Wilkins E, Abdel-Hamid I (2005) Biosens Bioelectron 21:491–499Rule G, Montagna R, Durst R (1996) Clin Chem 42:1206–1209Ngom B, Guo Y, Wang X, Bi D (2010) Anal Bioanal Chem 397:1113–1135Posthuma-Trumpie GA, Korf J, van Amerongen A (2009) Anal Bioanal Chem 393:569–582Carter DJ, Cary RB (2007) Nucleic Acids Res 35:e74Kalogianni DP, Goura S, Aletras AJ, Christopoulos TK, Chanos MG, Christofidou M, Skoutelis A, Ioannou PC, Panagiotopoulos E (2007) Anal Biochem 361:169–175Litos IK, Ioannou PC, Christopoulos TK, Traeger-Synodinos J, Kanavakis E (2009) Biosens Bioelectron 24:3135–3139Blažková M, Koets M, Rauch P, van Amerongen A (2009) Eur Food Res Technol 229:867–874Mens PF, van Amerongen A, Sawa P, Kager PA, Schallig HD (2008) Diagn Microbiol Infect Dis 61:421–427Gordon J, Michel G (2008) Clin Chem 54:1250–1251Aldus CF, van Amerongen A, Ariens RM, Peck MW, Wichers JH, Wyatt GM (2003) J Appl Microbiol 95:380–389Capps KL, McLaughlin EM, Murray AW, Aldus CF, Wyatt GM, Peck MW, van Amerongen A, Ariens RM, Wichers JH, Baylis CL, Wareing DR, Bolton FJ (2004) J AOAC Int 87:68–77van Amerongen A, Koets M (2005) In: van Amerongen A, Barug D, Lauwaars M (eds) Rapid methods for biological and chemical contaminants in food and feed. Wageningen Academic Publishers, Wageningen, pp 105–216Moreira BG, You Y, Behlke MA, Owczarzy R (2005) Biochem Biophys Res Commun 327:473–484Nielsen EM, Andersen MT (2003) J Clin Microbiol 41:2884–2893Huijsdens XW, Linskens RK, Mak M, Meuwissen SGM, Vandenbroucke-Grauls CMJE, Savelkoul PHM (2002) J Clin Microbiol 40:4423–4427Koets M, Sander I, Bogdanovic J, Doekes G, van Amerongen A (2006) J Environ Monit 8:942–946van Amerongen A, Wichers JH, Berendsen LBJM, Timmermans AJM, Keizer GD, van Doorn AWJ, Bantjes A, van Gelder WMJ (1993) J Biotechnol 30:185–195O’Keeffe M, Crabbe P, Salden M, Wichers J, van Peteghem C, Kohen F, Pieraccini G, Moneti G (2003) J Immunol Methods 278:117–126Posthuma-Trumpie GA, Korf J, van Amerongen A (2008) Anal Bioanal Chem 392:1215–1223Chang LL, Shepherd D, Sun J, Ouellette D, Grant KL, Tang XC, Pikal MJ (2005) J Pharm Sci 94:1427–1444Geue L, Segura-Alvarez M, Conraths FJ, Kuczius T, Bockemuhl J, Karch H, Gallien P (2002) Epidemiol Infect 129:173–185Eurachem/CITAC (2003) EURACHEM/CITAC Guide: The expression of uncertainty in qualitative testing. LGC, Teddington, Middlesex, UK, p 22Ellison SLR, Fearn T (2005) Trac-Trends Anal Chem 24:468–476Gilchrist JM (2009) J Clin Microbiol 62:1045–1053Landis JR, Koch GG (1977) Biometrics 33:159–174Mackinnon A (2000) Comput Biol Med 30:127–134Mil’man BL, Konopel’ko LA (2004) J Anal Chem 59:1128–1141AOAC (2006) Final report and executive summaries from the AOAC International Presidential Task Force on best practices in microbiological methodology. AOAC International, Gaithersburg, Maryland, USA, p 20

    Hoogwaterkering Kampen t.p.v. "IJsselfront"

    No full text
    De regionale directie Overijssel heeft de Dienst Weg- en Waterbouwkunde verzocht te bezien of zij een bijdrage kan leveren aan de onderbouwing van de minimaal gehanteerde waakhoogte van 0,50 m. in het stedelijke gebied van Kampen. Daarbij zou tevens aangegeven dienen te worden op welke wijze een reduktie van de minimaal gehanteerde waakhoogte verkregen kan worden. De vraag komt voort uit het gevoelen dat een bestraat en bebouwd gebied als het rivierfront van Kampen bij gelijke 'kruin'hoogte, sterker is dan een 'groene dijk' met normale afmetingen, terwijl in de praktijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen de gehanteerde waakhoogten bij de verschillende waterkeringen. CONCLUSIE In het eerste deel van de notitie is getracht aan te tonen dat een 'harde constructie' zoals een damwandconstructie lager zou kunnen zijn dan een even veilige 'standaard groene dijk'. Bij het uitgangspunt dat de 'groene dijk' en het IJsselfront een gelijkwaardige sterkte/veiligheidsniveau dienen te hebben, bij een gelijke planperiode van 50 jaar kan de waterkering langs het IJsselfront derhalve ca. 0,07 m. lager zijn dan de aansluitende 'groene dijk'. De grote waakhoogte van 0,9 m. wordt berekend uit de onzekerheden van de verschillende randvoorwaarden die voor de dijk in rekening gebracht dienen te worden. Uit deze berekeningen blijkt dat de huidige toegepaste minimale waakhoogte van 0,5 m. eerder aan de lage dan aan de hoge kant is. Bezien in het licht van de waakhoogteberekeningen wordt het dan ook niet verantwoord geacht om de eerder beredeneerde hoogtereductie (ca. 0,07 m.) van een damwandconstructie toe te passen. Er wordt ten stelligste geadviseerd om niet naar beneden af te wijken van de gebruikelijke waakhoogte van 0,5 m. Tevens dient voor de NAP-daling per planperiode van 50 jaar een extra hoogte te worden gerealiseerd van 0,1 m. Voor het gedeelte ten noorden van de brug zal de invloed van golven op de waterkering nader moeten worden bezien
    corecore