15,400 research outputs found

    How do flooding regime and traits related to oxygen uptake and transport affect plant performance?

    No full text
    Cornelissen, J.H.C. [Promotor]Zeng, B. [Promotor]Bodegom, P.M. van [Copromotor

    Changes in the structure of the 1:2 complex of N-ethyl-N-methylmorpholinium and 7,7,8,8-tetra­cyano-p-quinodi­methane, MEM(TCNQ)2, above room temperature: I. Determination of the structures at 294 and 323 K

    No full text
    Crystals of MEM(TCNQ) 2 are triclinic, space group P1, with a = 7.773 (8), b = 15.292(15), c = 6.960 (7)A, a = 112.34 (6), fl = 74.59 (6), y = 111.85 (6) °, U = 702 A 3 at 294 K, and a = 7.775 (8), b= 15.290 (15), c = 6.979 (7)A, a = 112.01 (6),fl= 75.00 (6),)'= 111.77 (6) ° , U= 707 A 3 at 323 K, Z= 1. Intensities were collected with Zr-filtered Mo radiation on an automatic Nonius CAD-3 diffractometer. Anisotropic least-squares refinements decreased Rw(F) to 0.077 for 2471 reflections at 294 K, and to 0.089 for 1877 reflections at 323 K. The reported structures are compared with the structure at 113 K [Bosch & van Bodegom (1977). Acta Cryst. B33, 3013-3021]. The individual TCNQ group, as well as the types of overlap between successive TCNQ molecules in the dimerized TCNQ stack, hardly changes between l l3 and 323 K; both separationsbetween the TCNQ units increase by 0.07 A. The major change is the increasing disorder of the MEM group with increasing temperature. With the assumption of two preferred orientations the 100% occupancy of the orientation observed at 113 K decreases to 84% at 294 K and 63% at 323 K. This increase in disorder is used to explain the results of electrical-conductivity measurements

    Havendammen van IJmuiden, modelonderzoek

    No full text
    De Bouwdienst van Rijkswaterstaat heeft WL Delft Hydraulics opdracht gegeven voor het uitvoeren van 2D fysisch modelonderzoek ten behoeve van een mogelijke renovatie van de havendammen van IJmuiden. Het betreft enerzijds modelonderzoek om meer inzicht te verkrijgen in mogelijk optredende schademechanismen bij de huidige constructie (Proevenserie A) en anderzijds modelonderzoek ten behoeve van de afweging tussen drie verschillende overlagingsvarianten (Proevenserie B). De mogelijke schade mechanismen die zijn onderzocht in Proevenserie A zijn: \u95 Het bepalen van de stabiliteit van de huidige teenconstructie. \u95 Het meten van waterdrukken op de bodem ten behoeve van het bepalen van interne verhangen in het filtermateriaal en de kern, om mogelijke uitspoeling van zand te kunnen beoordelen. \u95 Het meten van opwaartse krachten onder de asfaltlaag. Ten behoeve van de onderlinge afweging van overlagingsvarianten zijn drie varianten getest: 1. Variant 3b; Nieuwe toplaag bestaande uit een enkele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag is uitgevuld met breuksteen. 2. Variant 4; Nieuwe toplaag bestaande uit een dubbele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag is uitgevuld met breuksteen 3. Nieuwe toplaag bestaande uit een dubbele laag hoge dichtheid kubussen, waarbij de ruimte tussen de oude toplaag en de nieuwe toplaag niet is uitgevuld. Het belangrijkste doel van de modelproeven voor de overlagingsvarianten was om de stabiliteit van de toplaag, de teen en de bodembescherming van de drie varianten te vergelijken.IJmuiden, Havenda

    Upscaling methane emissions from rice paddies: problems and possibilities.

    No full text
    Global methane emission estimates depend highly on the models, techniques, and databases used. Since emissions cannot be measured directly at large scales, it is impossible to judge which estimate is more realistic. In this paper, different aspects of uncertainty in upscaling methane emissions from rice paddies are discussed. These aspects are visualized by a case study on the spatial upscaling of methane emissions from the island of Java, Indonesia. The first aspect concerns process information. An approach to incorporate this information in a simplified but process-based way in predictive models is discussed. Sources of uncertainty include the methane emissions measurements, processes quantification, process simplification, and the use of data transfer functions. Data availability of input parameters, the second aspect, is uncertain because of differences between different data sources, the use of data sources for purposes not originally planned for, and the scale at which data are available. Data interpolation in combination with nonlinear model responses introduces scaling errors, the third aspect. Data accuracy introduced the highest uncertainties in emission estimates but is rarely accounted for in the estimation of global emissions

    Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar

    No full text
    Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200

    Risicoanalyse van een geboorde tunnel

    No full text
    Door het gebrek aan ervaring is het ontwerpen van een geboorde tunnel niet eenvoudig. Onbekend is welke risico's aan het boren in slappe grond verbonden zijn en wat hun onderlinge relatie is. Het afstudeerwerk bestaat uit de risicoanalyse van een geboorde tunnel in slappe grond, waarbij is vastgesteld wanneer een tunnel faalt. De risicoanalyse stapt af van de traditionele deterministische rekenwijze. Bij deze klassieke rekenwijze wordt uitgegaan van een veiligheidsfactor F. De constructie moet een belasting kunnen opnemen, die F maal de normale belasting is. De veiligheidsfactor is groter dan een en moet allerlei onzekerheden dekken. Voorbeelden hiervan zijn: de belasting kan toenemen in de tijd, de materiaalsterkte kan afnemen in de tijd, er zit spreiding in de belasting en in de afmetingen van de constructieonderdelen en in de bouwfase kunnen er dingen mislopen, die invloed hebben op de gebruiksfase. Meestal neemt men F 'voldoende groot' , wat vaak oneconomisch is. De risicoanalyse neemt in principe alle oorzaken, die kunnen leiden tot falen, mee. De eerste vereiste bij het maken van een risicoanalyse is inzicht te hebben in het boorproces. De, tot nu toe, meest geschikte methode om in Nederland een tunnel te boren is de schildmethode. Deze methode wordt ook gebruikt bij de bouw van de 2e Heinenoordtunnel. De schildmethode berust op het vooruitdrukken van een schild in de grond. Het schild is een stalen buis met een iets grotere binnendiameter dan de buitendiameter van de te maken tunnel. Aan de voorkant van het schild wordt de grond door de tunnelboormachine ontgraven en door het al gerealiseerde tunneldeel afgevoerd. Aan de achterkant van het schild wordt de tunnelmantel samengesteld. De tunnelmantel bestaat uit ringen, opgebouwd uit (meestal) gewapend betonnen prefab segmenten. De segmenten worden aangevoerd door het gerealiseerde tunneldeel en direct achter het schild geplaatst. Na het plaatsen van de segmenten schuiven de vijzels uit en wordt het schild voortbewogen doordat deze vijzels zich afzetten tegen de segmenten. Tijdens het plaatsen van de segmenten worden de vijzels ingetrokken en staat de TBM en dus het ontgravingsproces stil. De ruimte buiten de tunnelmantel, die is ontstaan door het ontgraven van de iets grotere doorsnede van het schild, wordt gelijktijdig met het boren (voortduwen van het schild) gevuld met een groutmengsel. Alle ongewenste gebeurtenissen die tijdens het boorproces of tijdens de gebruiksfase van de tunnel kunnen optreden en tot falen leiden, zijn geanalyseerd en in een foutenboom weergegeven. Een foutenboom laat alle ongewenste gebeurtenissen en combinaties van ongewenste gebeurtenissen, die tot falen leiden, zien. De foutenboom is opgedeeld in twee fasen: de bouwfase en de gebruiksfase. Het falen van de tunnel is de meest ongewenste gebeurtenis (de topgebeurtenis). De defmitie van falen in de bouwfase bestaat ten eerste uit het oplopen van emstige vertragingen tot het eventueel niet realiseren van de tunnel en ten tweede kan de negatieve invloed op de omgeving tijdens het boorproces te groot zijn. Het falen van de tunnel in de gebruiksfase kan technisch of sociaal van aard zijn. De tunnel faalt technisch als de tunnel langer dan een half jaar onbruikbaar is of als de invloed op andere werken te groot is. Sociaal falen houdt in dat de tunnel niet aan de gebruikerseisen voldoet. De foutenboom is op twee manieren te gebruiken: 1. om de totale faalkans van een tunnel uit een ontwerp te berekenen, 2. om een ontwerp voor een tunnel vanuit een toelaatbare faalkans te maken. Binnen dit project is de foutenboom op beide manieren gebruikt. Eerst is de toelaatbare faalkans van de tunnel bepaald en verdeeld over de mechanismen. Vervolgens is voor twee mechanismen de faalkans berekend. AIs laatste is de berekende faalkans vergeleken met de toelaatbare faalkans. De faalkansberekening is gebaseerd op het voorontwerp van de 2e Heinenoordtunnel.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Criteria voor toepassing van bekledingen op waterkeringen: Hulpmiddel voor ontwikkeling van innovatieve dijkbekledingen

    No full text
    Traditioneel worden dijken bekleedt met steenzettingen, asfalt, gras of breuksteen. Echter, er worden steeds meer initiatieven voorgesteld waarbij innovatieve materialen worden toegepast als dijkbekleding. Deze initiatieven zul len in de toekomst leiden tot een efficienter of maatschappelijk beter geaccepteerde dijkbekleding. Tot nag toe is voor de ontwikkelaar van een innovatieve dijkbekleding en voor de dijkbe heerder nog geen goed kader waarbinnen de deze innovatieve dijkbekledingen beoordeeld kunnen worden. Dit leidt tot onduidelijkheid hetgeen de ontwikkelingen in de weg kan staan. Om innovaties met betrekking tot dijkbekledingen te stimuleren heeft de Waterdienst aan Deltares opdracht gegeven om een Technisch Rapport te ontwikkelen waarin aile relevante aspecten zijn beschreven met betrekking tot innovatieve dijkbekledingen. Met behulp van dit Technisch Rapport kunnen dijkbeheerders en ontwikkelaars van innovatieve dijkbekledingen inzicht verkrijgen in de eisen, wensen en aspecten die gepaard gaan met het antwerp en onderhoud van een dijkbekledingTAW/EN

    De synthese en karakterisering van core-shell waterafdunbare dispersies

    No full text
    Het doel van dit onderzoek was de synthese van core-shell waterafdunbare dispersies (latices) en de karakterisering daarvan m.b.v. UV/VIS spectrofotometrie. Voor de karakterisering moest de deeltjesgrootteverdeling smal zijn. Bij deze latices bestaan de kernen van de deeltjes uit een ander polymeer dan de schil. Bij dit onderzoek werd als core polystyreen genomen en als shell een polyacrylaat zoals butyl acrylaat, butyl methacrylaat en ethyl acrylaat. De syntheses werden voornamelijk uitgevoerd volgens de kiem emulsiepolymerisatie. Een andere methode was de shot-growth emulsiepolymerisatie. Het is gelukt om core-shell latices te bereiden, die voldoen aan de eisen om er lichtverstrooi ïngsmetingen (UV/VIS) op uit te voeren. Butyl methacrylaat bleek hierbij het beste monomeer te zijn voor de vorming van de schil. M.b.v. de lichtverstrooïngsmetingen kon de structuur van de gecoalesceerde core-shell latexfilms beschreven worden. Uit deze structuur kon geconcludeerd worden, dat de bereide deeltjes een coreshell structuur hebben. Andere technieken die gebruikt werden om deze deeltjes te onderzoeken waren: zeeptitraties, electronen microscopie, MFT (minimale filmvormingstemperatuur) bepalingen en Tg bepalingen m.b.v. DSC. Deze metingen gaven ook aan dat de deeltjes coreshell's waren. De MET bleek echter hoger te zijn dan werd verwacht.Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe

    De kosten van een zandsuppletie op het strand van de Kop van Goeree uitgevoerd met behulp van de zogenaamde "Punaise"

    No full text
    In het 1e deel van het afstudeerverslag van A.H. van Berk (lit. 1) werd de vraag gesteld of een baggersysteem voor het kustonderhoud van de Kop van Goeree met de punaise (fig. 0) in één van de wingebieden A, B of C (fig. 2) kan konkurreren met een systeem met een cutterzuiger in wingebied E. Voor het antwoord op deze vraag zijn de kosten van zowel de uitvoering met de punaise als die met de cutterzuiger bepaald. Deze kosten zijn omgerekend naar de gemiddelde jaarlijkse kosten voor het kustonderhoud en onderling vergeleken. In het tweede deel wordt een handleiding gegeven voor de berekening van de jaarlijkse kosten van het kustonderhoud van de lop van Goeree door zandsuppietie a.b.v. de Punaise.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
    corecore