199 research outputs found
Ruim 100 factoren kunnen implementatie prijsbeleid beïnvloeden: Bespreking promotie Diana Vonk Noordegraaf
Ondanks vele studies naar de economische effecten van allerlei vormen van prijsbeleid, zoals tolheffing of kilometerprijs, stranden veel voorstellen in binnen- en buitenland (alsnog) bij de implementatie. Diana Vonk Noordegraaf promoveerde begin juni op een studie naar factoren die een rol spelen bi] de implementatie van prijsbeleid.Transport and Logistic
Precipitates on Dislocations: Mathematical modelling of nucleating and growing precipitates on dislocations
Many models for nucleating and growing precipitates have been developed. Each model with their own advantages and disadvantages. Only few of those models are made for heterogeneous nucleation (on dislocations) and most of them are based on the mean radius approach. In the literature study by Vonk (2016) one of these models (by Zurob et al. (2002)) was explained, analysed and tested for different values of the model parameters and different initial values. The model showed to be flexible, but still had some drawbacks, of which the mean radius aspect was the most limiting. A new distribution model is developed in this master thesis, based on the KWN model by Robson (2014) and Den Ouden et al. (2013). Even though the approach has changed, the nucleation and growth rate were adopted from the model by Zurob et al. (2002), which still included some drawbacks. Some of these drawbacks are eliminated by extending the model and some are recommended for future work. The two main drawbacks that were eliminated, were the lack of influence of all elements in the system and the competition between nucleation sites and different precipitate compositions. All elements in the system influence the nucleation and growth of the precipitates, even when the elements do not participate in the precipitate. A multi-component model is the extension to capture this complexity (Den Ouden et al. (2013)). Because most steel alloys contain many alloying elements, different precipitates can occur simultaneously (for instance, Nb(C,N), AlN and MnS) and complex precipitates may exist, like (Nb,Ti)(C,N). Also precipitates may nucleate at various nucleation sites. A multi-precipitate model is the extension to capture this complexity. The results of the simulations using the distribution model and its extensions are analysed and compared, showing the flexibility of the model. The implementation includes the multi-component and multi-precipitate extension, but no model for complex precipitates yet.Electrical Engineering, Mathematics and Computer ScienceDelft Institute of Applied MathematicsNumerical Analysi
Sensitivity analysis of censored output through polynomial, logistic and tobit models: Theory and case study.
Gammarus parthicus Stock, Mirzajani, Vonk, Naderi & Kiabi 1998
Gammarus parthicus Stock, Mirzajani, Vonk, Naderi & Kiabi, 1998 Gammarus parthicus Stock, Mirzajani, Vonk, Naderi & Kiabi, 1998: 194 –201, Figs. 13–16. Locus typicus. Sarabe Abbasabad (33 ˚ 55 ʹN, 49 ˚ 30 ʹE), Shahzand, Markazi Province. Material examined. Holotype and 22 paratypes (ZMA Crust. Amph. 201373); new material: many specimens Dimeh, Esfahan (32 ˚ 30 ʹN, 50 ˚ 13 ʹE) (FAIC 111290); many specimens Sudejan, Esfahan (32 ˚ 32 ʹN, 50 ˚ 21 ʹE) (FAIC 111291); many specimens Guzdak, Meshkinshahr, Ardebil (FAIC 111293); many specimens, Aluch, Meshkinshahr, Ardebil (FAIC 111294). Distribution. First record (locus typicus) of this species was from the central Iranian basin, in northern Central Zagros, but recent sampling done by the first author revealed its presence also in the far eastern Alborz localities (Fig. 1). Ecological notes. Sample from Meshkinshahr was collected in a spring with water temperature of 13 ºC and pH of 7. Taxonomic remarks. The most conspicuous feature of this species – dense long setae on peduncles and flagellum of antenna 2 (much longer than what is drawn in the original description), makes it close to G. pretzmanni and G. komareki. However, presence of 1–2 tiny spines in postero-distal corner of basis in pereopod 7 (Stock et al. 1998, Fig. 15 c) makes it easy to distinguish G. parthicus from G. komareki (such spines are present also in G. p re t z - manni). In addition, anterior margins of carpal and meral segments of pereopods are bare in G. parthicus (ibid.), vs. having setae in G. komareki. Setae of both peduncles and flagellum on antenna 2 are highly curled in G. pretzmanni, while in G. parthicus they are slightly curved distally only on the flagellum (ibid., Fig. 13 e), such setation pattern can also be seen on pereopod 3 (ibid., Fig. 14 e). Moreover, dorsal side of antenna 2 peduncle is almost free of setae in G. parthicus (ibid., Fig. 13 e), while in G. pretzmanni the setae are present in dense groups also on the dorsal surface.Published as part of Zamanpoore, Mehrdad, Grabowski, Michal, Poeckl, Manfred & Schiemer, Friedrich, 2011, Taxonomic review of freshwater Gammarus (Crustacea: Amphipoda) from Iran, pp. 1-14 in Zootaxa 3140 on page 8, DOI: 10.5281/zenodo.20563
Extended hatching periods in the subantarctic lithodid crabs Lithodes santolla and Paralomis granulosa (Crustacea: Decapoda: Lithodidae)
Temporal pattern of hatching was studied in the subantarctic lithodid crabs Lithodes santolla (Molina) and Paralomis granulosa (Jaquinot) from the Argentine Beagle Channel. In both species, larval hatching occurred in low daily numbers over an extended period of up to several weeks, depending on hatch size. Low daily hatching activity and low oxygen-consumption rates in freshly hatched P. granulosa larvae are discussed as life history adaptations to, and/or physiological constraints by, the environmental conditions of high latitudes. <br/
Veiligheid Nederland in Kaart (VNK (pao-cursus)
Regionale visie op VNK (Timmermans) Lessen uit New Orleans (Vrijling) Practisch nut van VNK en relatie met toetsing (Vonk) Proces van gegevens verzameling (Provoost) Lessen uit VNK (van Westen) De bepaling van overstromingskansen (Vrouwenvelder) Invloed van onzekerheden (Vrouwenvelder) Piping en overstromingskans (Calle) Kustwerken en overstromingskans (van de Graaf) Overstromingsscenario's (Holterman)VN
Baptism in the bridal chamber:the gospel of Philip as a Valentinian baptismal instruction
In het zuiden van Egypte, bij het plaatsje Nag Hammadi, werden ze door een Egyptische boer bij toeval in 1945 gevonden: gnostische geschriften en evangeliën uit de eerste vier eeuwen van onze jaartelling. Sinds de jaren 1950 worden de Nag Hammadi-teksten vertaald en onderzocht door wetenschappers over de gehele wereld. Bas van Os vertaalde en analyseerde één van deze geschriften, het "Evangelie van Filippus". Het werk moet ergens rond het jaar 200 na Christus zijn ontstaan, ruim honderd jaar na de evangeliën van het Nieuwe Testament. De gnostiek was een vroegchristelijke stroming. Gnostici hadden een ander godsbeeld dan andere christenen: ze meenden dat er een hogere God was dan de antropomorfe Schepper-God van het Oude Testament. Iets van die hoogste God was gevangen geraakt in de schepping, namelijk als een goddelijke vonk in de mensen. Dit goddelijke zelf kon door kennis (gnosis) weer bevrijd worden en terugkeren tot zijn goddelijke oorsprong. De Amerikaanse auteur Dan Brown baseerde zijn roman "De Da Vinci Code" (2003) op het idee dat de kerk dit spiritueel geheim eeuwenlang verborgen heeft gehouden. Van Os begon zijn onderzoek in reactie op conclusies van Martha Lee Turner. Het "Evangelie van Filippus" zou volgens Turner bestaan uit een verzameling losse teksten, die weinig thematische of logische samenhang vertonen. Volgens Van Os valt het evangelie wel degelijk als een thematische eenheid te begrijpen, namelijk als aantekeningen voor een twaalftal gesprekken met mensen die een gnostisch initiatieritueel ondergingen. De inhoud van de gesprekken wijst erop dat de dopelingen vooral "gewone" christenen waren. Uiterlijk bestond het initiatieritueel uit doop, zalving en eucharistie. In mystieke zin ging het om de vereniging met het goddelijke in de "Bruidskamer". Jezus Christus zou zijn afgedaald uit de sfeer van de allerhoogste God om, door middel van gnosis en rituelen, de mensen te bevrijden uit de schepping en weer te verenigen met hun goddelijke oorsprong. De verbintenis tussen Jezus en Maria staat daarbij symbool voor de vereniging van het goddelijke met de ziel in de "Bruidskamer"
Baptism in the bridal chamber: the gospel of Philip as a Valentinian baptismal instruction
In het zuiden van Egypte, bij het plaatsje Nag Hammadi, werden ze door een Egyptische boer bij toeval in 1945 gevonden: gnostische geschriften en evangeliën uit de eerste vier eeuwen van onze jaartelling. Sinds de jaren 1950 worden de Nag Hammadi-teksten vertaald en onderzocht door wetenschappers over de gehele wereld. Bas van Os vertaalde en analyseerde één van deze geschriften, het "Evangelie van Filippus". Het werk moet ergens rond het jaar 200 na Christus zijn ontstaan, ruim honderd jaar na de evangeliën van het Nieuwe Testament. De gnostiek was een vroegchristelijke stroming. Gnostici hadden een ander godsbeeld dan andere christenen: ze meenden dat er een hogere God was dan de antropomorfe Schepper-God van het Oude Testament. Iets van die hoogste God was gevangen geraakt in de schepping, namelijk als een goddelijke vonk in de mensen. Dit goddelijke zelf kon door kennis (gnosis) weer bevrijd worden en terugkeren tot zijn goddelijke oorsprong. De Amerikaanse auteur Dan Brown baseerde zijn roman "De Da Vinci Code" (2003) op het idee dat de kerk dit spiritueel geheim eeuwenlang verborgen heeft gehouden. Van Os begon zijn onderzoek in reactie op conclusies van Martha Lee Turner. Het "Evangelie van Filippus" zou volgens Turner bestaan uit een verzameling losse teksten, die weinig thematische of logische samenhang vertonen. Volgens Van Os valt het evangelie wel degelijk als een thematische eenheid te begrijpen, namelijk als aantekeningen voor een twaalftal gesprekken met mensen die een gnostisch initiatieritueel ondergingen. De inhoud van de gesprekken wijst erop dat de dopelingen vooral "gewone" christenen waren. Uiterlijk bestond het initiatieritueel uit doop, zalving en eucharistie. In mystieke zin ging het om de vereniging met het goddelijke in de "Bruidskamer". Jezus Christus zou zijn afgedaald uit de sfeer van de allerhoogste God om, door middel van gnosis en rituelen, de mensen te bevrijden uit de schepping en weer te verenigen met hun goddelijke oorsprong. De verbintenis tussen Jezus en Maria staat daarbij symbool voor de vereniging van het goddelijke met de ziel in de "Bruidskamer"
Baptism in the bridal chamber:the gospel of Philip as a Valentinian baptismal instruction
In het zuiden van Egypte, bij het plaatsje Nag Hammadi, werden ze door een Egyptische boer bij toeval in 1945 gevonden: gnostische geschriften en evangeliën uit de eerste vier eeuwen van onze jaartelling. Sinds de jaren 1950 worden de Nag Hammadi-teksten vertaald en onderzocht door wetenschappers over de gehele wereld. Bas van Os vertaalde en analyseerde één van deze geschriften, het "Evangelie van Filippus". Het werk moet ergens rond het jaar 200 na Christus zijn ontstaan, ruim honderd jaar na de evangeliën van het Nieuwe Testament. De gnostiek was een vroegchristelijke stroming. Gnostici hadden een ander godsbeeld dan andere christenen: ze meenden dat er een hogere God was dan de antropomorfe Schepper-God van het Oude Testament. Iets van die hoogste God was gevangen geraakt in de schepping, namelijk als een goddelijke vonk in de mensen. Dit goddelijke zelf kon door kennis (gnosis) weer bevrijd worden en terugkeren tot zijn goddelijke oorsprong. De Amerikaanse auteur Dan Brown baseerde zijn roman "De Da Vinci Code" (2003) op het idee dat de kerk dit spiritueel geheim eeuwenlang verborgen heeft gehouden. Van Os begon zijn onderzoek in reactie op conclusies van Martha Lee Turner. Het "Evangelie van Filippus" zou volgens Turner bestaan uit een verzameling losse teksten, die weinig thematische of logische samenhang vertonen. Volgens Van Os valt het evangelie wel degelijk als een thematische eenheid te begrijpen, namelijk als aantekeningen voor een twaalftal gesprekken met mensen die een gnostisch initiatieritueel ondergingen. De inhoud van de gesprekken wijst erop dat de dopelingen vooral "gewone" christenen waren. Uiterlijk bestond het initiatieritueel uit doop, zalving en eucharistie. In mystieke zin ging het om de vereniging met het goddelijke in de "Bruidskamer". Jezus Christus zou zijn afgedaald uit de sfeer van de allerhoogste God om, door middel van gnosis en rituelen, de mensen te bevrijden uit de schepping en weer te verenigen met hun goddelijke oorsprong. De verbintenis tussen Jezus en Maria staat daarbij symbool voor de vereniging van het goddelijke met de ziel in de "Bruidskamer"
Baptism in the bridal chamber:the gospel of Philip as a Valentinian baptismal instruction
In het zuiden van Egypte, bij het plaatsje Nag Hammadi, werden ze door een Egyptische boer bij toeval in 1945 gevonden: gnostische geschriften en evangeliën uit de eerste vier eeuwen van onze jaartelling. Sinds de jaren 1950 worden de Nag Hammadi-teksten vertaald en onderzocht door wetenschappers over de gehele wereld. Bas van Os vertaalde en analyseerde één van deze geschriften, het "Evangelie van Filippus". Het werk moet ergens rond het jaar 200 na Christus zijn ontstaan, ruim honderd jaar na de evangeliën van het Nieuwe Testament. De gnostiek was een vroegchristelijke stroming. Gnostici hadden een ander godsbeeld dan andere christenen: ze meenden dat er een hogere God was dan de antropomorfe Schepper-God van het Oude Testament. Iets van die hoogste God was gevangen geraakt in de schepping, namelijk als een goddelijke vonk in de mensen. Dit goddelijke zelf kon door kennis (gnosis) weer bevrijd worden en terugkeren tot zijn goddelijke oorsprong. De Amerikaanse auteur Dan Brown baseerde zijn roman "De Da Vinci Code" (2003) op het idee dat de kerk dit spiritueel geheim eeuwenlang verborgen heeft gehouden. Van Os begon zijn onderzoek in reactie op conclusies van Martha Lee Turner. Het "Evangelie van Filippus" zou volgens Turner bestaan uit een verzameling losse teksten, die weinig thematische of logische samenhang vertonen. Volgens Van Os valt het evangelie wel degelijk als een thematische eenheid te begrijpen, namelijk als aantekeningen voor een twaalftal gesprekken met mensen die een gnostisch initiatieritueel ondergingen. De inhoud van de gesprekken wijst erop dat de dopelingen vooral "gewone" christenen waren. Uiterlijk bestond het initiatieritueel uit doop, zalving en eucharistie. In mystieke zin ging het om de vereniging met het goddelijke in de "Bruidskamer". Jezus Christus zou zijn afgedaald uit de sfeer van de allerhoogste God om, door middel van gnosis en rituelen, de mensen te bevrijden uit de schepping en weer te verenigen met hun goddelijke oorsprong. De verbintenis tussen Jezus en Maria staat daarbij symbool voor de vereniging van het goddelijke met de ziel in de "Bruidskamer"
- …
