1,721,078 research outputs found

    Internationaal Zeerechttribunaal: Staten moeten klimaatverstoring stoppen

    No full text
    Internationaal Zeerechttribunaal: staten moeten klimaatverstoring stoppen In een advies van 21 mei 2024 oordeelt het Internationaal Zeerechttribunaal dat de staten die partij zijn bij het VN-zeerechtverdrag, onder meer verplicht zijn om de uitstoot van antropogene broeikasgassen terug te dringen. Voor het eerst spreekt een internationaal rechtscollege zich uit over de klimaatverstoring en de juridische gevolgen ervan in het internationale recht tussen staten. nale bijdrage aan de mondiale samenwerking te bepalen. Bijgevolg voldoen verdragstaten niet aan de verplichtingen van het VN-zee-rechtverdrag louter door zich aan het Parijsak-koord te houden. Zij moeten meer doen, met de beste middelen en vaardigheden die tot hun beschikking staan. Het Tribunaal bena-drukt in dat opzicht dat, hoewel het optreden tegen de klimaatverstoring een gedeelde ver-antwoordelijkheid van alle staten is en hoewel iedere staat maatregelen moet treffen, niet van iedere staat hetzelfde wordt verwacht. De meest ontwikkelde staten, waartoe België zich mag rekenen, dienen een voortrekkersrol op te nemen. Die staten zijn overigens op basis van het verdrag ertoe gehouden om de minst ontwikkelde staten te helpen om verplichtin-gen na te komen. Ook van belang is dat het Tribunaal de verdragstaten erop wijst dat zij rekening moeten houden met de best beschik-bare wetenschap bij het bepalen welke maat-regelen zij noodzakelijk moeten nemen en dat het voorzorgsbeginsel zich daarenboven aan hen opdringt hoewel het VN-zeerechtverdrag dat beginsel niet uitdrukkelijk vermeldt. Zelf spreekt het Tribunaal zich niet uit over speci-fieke maatregelen, aangezien dat niet zijn taak is, maar het is duidelijk dat het de in de IPCC-rapporten vermelde mitigatiemaatregelen als relevant beschouwt. Wat de reikwijdte van de terugdringverplich-ting betreft, oordeelt het Tribunaal dat er een inspanningsverbintenis en geen resultaatsver-bintenis voorligt. Dat zou volgen uit de tekst van de relevante bepaling, terwijl het Tribunaal ook aangeeft dat een inspanningsverbintenis in deze context voor de hand ligt. De eigenlij-ke uitstoot van broeikasgassen wordt immers veroorzaakt door private personen, zodat het onredelijk zou zijn om te oordelen dat aan een staat die zich voldoende inspant, het bestaan van enige overblijvende uitstoot moet worden toegerekend. Bovendien erkent het Tribunaal pragmatisch dat het simpelweg niet mogelijk is om te verlangen dat alle vervuiling door alle mogelijke bronnen op ieder moment wordt vermeden. De verdragstaten moeten dus een mate van zorgvuldigheid aan de dag leggen. Lees verder op pagina 4 Christopher Borucki H et in het Duitse Hamburg gezetelde Internationaal Zeerechttribunaal ziet toe op de interpretatie en toe-passing van het verdrag van de Ver-enigde Naties inzake het recht van de zee (VN-zeerechtverdrag; met 168 ratifica-ties). Een alliantie van kleine eilandstaten ver-zocht het Tribunaal om te antwoorden op de vraag of dat verdrag de partijen ervan verplicht om, ten eerste, vervuiling van het mariene leefmilieu door antropogene broeikasgassen tegen te gaan en, ten tweede, om het mariene milieu beschermen tegen de negatieve gevol-gen van de klimaatverstoring door de uitstoot van die gassen, in het bijzonder de verzuring van de oceanen en zeeën in de wereld. De eilandstaten bevinden zich in een steeds hachelijker situatie door de klimaatverstoring. Op langere termijn bedreigt de stijgende zee-spiegel hun voortbestaan. Vandaag al kampen zij met extremer weer, met toenemende kust-erosie en met de afname van biodiversiteit en daardoor kwijnende visbestanden in hun wa-teren. De rechters van het Tribunaal klinken una-niem in het advies dat zij op 21 mei 2024 uit-brengen: het VN-zeerechtverdrag houdt effec-tief specifieke verplichtingen in die zin voor de verdragstaten in. Voor het eerst, maar niet het laatst, spreekt een internationaal rechtscolle-ge zich uit over de klimaatverstoring en de ju-ridische gevolgen ervan in het internationale recht tussen staten. WetensChappelijke dimensie Het Tribunaal opent zijn advies met de vast-stelling dat het adviesverzoek een weten-schappelijke dimensie heeft en dat er inter-nationale afspraken over de klimaatverstoring zijn gemaakt. Het verwijst naar de rapporten van de Intergouvernementele Werkgroep in-zake Klimaatverandering van de VN (IPCC) en merkt op dat geen van de betrokken partijen de gezaghebbende aard van die rapporten be-twist (meerdere andere verdragstaten, zoals Frankrijk en Nederland, kwamen tussen in het verzoek van de eilandstaten). De rappor-ten bevatten bevindingen over de oorzaken en gevolgen van klimaatverstoring, de rol van oceanen en zeeën in het klimaatsysteem en de toenemende druk op het mariene milieu. Op basis van de rapporten zet het Tribunaal een duidelijke toon. De huidige klimaatver-storing is door menselijk gedrag veroorzaakt en houdt een existentiële bedreiging voor het menselijke leven in, wat optreden noodzake-lijk maakt. Het Tribunaal stelt in dat opzicht vast dat er internationale akkoorden en andere afspraken over de klimaatverstoring bestaan. Het Tribunaal overweegt dat artikel 293 VN-zeerechtverdrag voorschrijft dat het verdrag zoveel als mogelijk in lijn met andere interna-tionale normen moet worden geïnterpreteerd. Het oordeelt dat de verschillende klimaatak-koorden kunnen worden gebruikt om te be-palen welke verplichtingen precies worden opgelegd door het VN-zeerechtverdrag. Het meent dat het VN-klimaatverdrag en het Pa-rijsakkoord in dat opzicht bijzonder relevant zijn, specifiek de temperatuurdoelstellingen (ruim onder 2°C boven pre-industrieel niveau, met als streefdoel 1,5°C) en tijdlijn ervan (de uitstoot van broeikasgassen moet zo spoedig mogelijk pieken en vervolgens snel afnemen). Zoals later nog wordt uitgelegd, meent het Tri-bunaal evenwel dat die doelen op zichzelf niet volstaan. De achtergrondschets van het Tribunaal leidt tot een eerste belangrijke vaststelling over het advies. Het internationale rechtscollege omarmt ondubbelzinnig de best beschikbare wetenschap over de klimaatverstoring en ver-ankert die als het richtinggevende kompas voor internationale akkoorden. Doorheen het advies grijpt het Tribunaal steeds weer terug naar de IPCC-rapporten. Daarbij valt in het bijzonder op dat het vooral het streefdoel van 1,5°C als richtinggevend beschouwt. Later in het advies nuanceert het Tribunaal wel nog-terecht-dat hoewel de wetenschappelijke kennis cruciaal is om te bepalen hoe staten de klimaatverstoring doeltreffend een halt kunnen toeroepen, die kennis niet alleen kan bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn. inspanningsverBintenissen Na de achtergrondschets gaat het Tribunaal inhoudelijk in op de gestelde vragen. Over de eerste vraag oordeelt het Tribunaal dat de an-tropogene uitstoot van broeikasgassen moet worden beschouwd als vervuiling van het mariene milieu. Die kwalificatie is van belang, omdat het VN-zeerechtverdrag de verdrag-staten in het algemeen verplicht om, alleen of gezamenlijk, alle noodzakelijke maatregelen te nemen om zo'n vervuiling te voorkomen, te verminderen en te beheersen en ook om het eigen beleid af te stemmen op dat van andere staten. Het Tribunaal wijst de verdragstaten er dan ook op dat zij op basis van die verplich-ting broeikasgassen moeten terugdringen. De vraag rijst wat die terugdringplicht precies in-houdt en hoe ver zij reikt. Het Tribunaal neemt het Parijsakkoord als uitgangspunt om het VN-zeerechtverdrag te interpreteren en toe te passen. Het Tribunaal wijst er echter op dat het Parijsakkoord de partijen ervan niet tot een specifieke reduc-tiedoelstelling of uitgewerkt tijdspad dwingt, maar het aan hen overlaat om de eigen natio-De adviezen binden niet, maar er gaat wel een gezaghebbende werking van uit. Verdragstaten voldoen niet aan de verplichtingen van het VN-zeerechtverdrag louter door zich aan het Parijsakkoord te houden. Zij moeten meer doen, met de beste middelen en vaardigheden die tot hun beschikking staan

    Producent asbesthoudende producten heeft opzettelijk ziekten veroorzaakt

    No full text
    Het buitencontractuele aansprake-lijkheidsrecht bestaat uit regels om onder meer te bepalen in welke ge-vallen de last van een schade moet worden verschoven van de bena-deelde naar een andere persoon. Op basis van die regels is het mogelijk dat een door een persoon als nega-tief gewaardeerde verandering in zijn voortbestaan niet voor schadeloos-stelling in aanmerking komt. Daar kunnen verschillende redenen van verscheidene aard voor zijn. Sowieso leidt niet alle 'schade' automatisch tot een schadeloosstellingsplicht (bijv. wanneer iemand onder invloed van overmacht onzorgvuldig handelt). Verder kunnen bewijsproblemen roet in het eten van de benadeelde gooien of kan een verstreken verjaringster-mijn spelbreker zijn. Het buitencon-tractuele aansprakelijkheidsrecht maakt evenwel deel uit van het rui-mere 'schadevergoedingsrecht'. Er bestaan ook andere vergoedingssys-temen, als aanvulling op en als al-ternatief voor aansprakelijkheid. Bij zulke andere vergoedingssystemen is er geen sprake van een verschuiving van de last van een schade naar een schadeverwekker (of een enkele per-soon die voor de schadeverwekker instaat), maar wel van een spreiding van deze last over meerdere personen die de schade niet noodzakelijk zelf hebben verwekt. Meerdere schouders dragen dan samen de last. Eén zo'n systeem is dat van 'schadefondsen'. In de context van asbestziekten heeft de samenleving het Asbestfonds in het leven geroepen om asbestslachtoffers niet in de kou te laten staan. Perso-nen die ziek worden door blootstel-ling aan asbest en daarvoor iemand tot schadeloosstelling zouden willen aanspreken, kijken immers tegen uitdagingen aan. De latentieperiode tussen de blootstelling en de verschij-ning van eerste symptomen is bijzon-der lang, niet zelden langer dan de gemeenrechtelijke verjaringstermij-nen. Bovendien kan het bewijs van het oorzakelijk verband niet altijd eenvoudig worden geleverd. Asbest-houdende producten zijn alomtegen-woordig (zodat er mogelijk meerdere blootstellingshaarden zijn) en niet iedere ziekte die door asbest kan wor-den veroorzaakt, wordt uitsluitend door deze mineralen veroorzaakt (bijv. longkanker). Wie succesvol een beroep op het Asbestfonds doet, kan sneller worden geholpen, zij het dat het fonds een beperkte forfaitare vergoeding toekent (en dus geen in-tegrale schadeloosstelling). Wie hier-voor kiest, is niet langer gerechtigd om een vordering tot vaststelling van buitencontractuele aansprakelijk-heid in te stellen. De programmawet die het Asbestfonds in het leven heeft geroepen, kent op dat vlak een im-muniteit toe aan de werkgevers die het Asbestfonds mee spijzen, tot wie ook de producenten van asbesthou-dende producten behoren. Tegenover het 'voordeel' van de bijzondere ver-goeding staat zo het 'nadeel' van de immuniteit, bedoeld als 'historisch compromis' om voldoende draagvlak voor het Asbestfonds te creëren (zie verslag namens de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden, Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 5-2279/2). Er geldt echter een belangrijke uitzondering op die immuniteit. Een vordering blijft mogelijk op basis van artikel 125 §2 van de programmawet "wan-neer [de aansprakelijke derde] de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt." In dit vonnis van de Nederlandsta-lige rechtbank van eerste aanleg te Brussel staat dat begrip van 'opzet' centraal. De rechter oordeelt dat de verwerende partij, de producent van asbesthoudende producten Eternit, de ziekte van de benadeelde opzette-lijk heeft veroorzaakt. De interpreta-tie van het gedrag van Eternit als op-zettelijk kan grote gevolgen hebben. Andere asbestslachtoffers, of hun rechthebbenden, die eerder al een be-roep deden op het Asbestfonds, zou-den kunnen overwegen om ook een vordering tot vaststelling van bui-tencontractuele aansprakelijkheid in te stellen in de hoop dat de rechters van hun zaken in dezelfde zin zouden oordelen (let wel: zij moeten dan nog steeds alle vereisten voor aansprake-lijkheid aantonen vooraleer schade-loossteling kan worden toegekend; hierin is de benadeelde in deze zaak geslaagd). Ook wie nog niet eerder een beroep deed op het Asbestfonds, zou kunnen overwegen om 'met minder risico' eerst het fonds aan te spreken en later een vordering in te stellen. Het verwondert daarom niet dat Eternit via de algemene mediaka-nalen heeft laten weten dat het hoger beroep aantekent tegen dit vonnis

    Bovenmatige burenhinder door de verspreiding van schadelijke stoffen: de Belgische veroordeling van 3M

    No full text
    Het Amerikaanse chemieconcern 3M werd in België veroordeeld wegens bovenmatige burenhinder door het veroorzaken van verontreiniging met forever chemicals. Deze bijdrage bespreekt het Belgische recht over bovenmatige burenhinder. Ook voor Nederlandse juristen kan deze uitspraak relevant zijn. De PFAS-verontreiniging heeft zich ook naar Nederland verspreid. Het Belgische recht kan daarbij mogelijk rechtstreeks relevant zijn op basis van het internatio nale privaat recht. Indirect kan het een inspiratiebron zijn voor Nederlandse vorderingen

    Rechter ziet klimaatverstoring als rechtvaardiging voor burgerlijke ongehoorzaamheid (Tribunal de police Lausanne 13 januari 2020, nr. PE19.000742/PCL/LLB)

    No full text
    Op 13 januari 2020 sprak de politierechtbank van Lausanne een groep klimaatactivisten vrij die zonder toestemming bankfilialen van Credit Suisse had bezet om daarin een tenniswedstrijd te spelen. Met hun actie kaartten de actievoerders de investeringen in fossiele brandstoffen van de bank aan. De rechtbank oordeelde dat de klimaatverstoring de burgerlijke ongehoorzaamheid van de actievoerders rechtvaardigde als noodtoestand

    Gevaarlijke zaken, gebrekkige zaken en de invloed van instructies op het aansprakelijkheidsrisico

    No full text
    RECHTSPRAAK 90 NR. 495 | 7 febRuaRi 2024 De bewering van de heer M.R. als zouden de door de gerechtsdeskundige onder-zochte vuurwerkdozen niet dezelfde zijn als deze aangekocht en aangestoken door de heer M.R. wordt evenmin op enige wij-ze aangetoond. Indien dit het geval zou zijn, stelt het hof vast dat hoe dan ook geen bewijs voor-ligt van het feit dat het vuurwerkproduct, aangekocht bij V., gebrekkig is en het on-geval veroorzaakt heeft. Een andere vuur-werkdoos ligt niet voor. De bewering dat er sprake zou zijn van een aan zekerheid grenzend vermoeden dat het ongeval werd veroorzaakt door een vuurwerkdoos aan-gekocht bij V. kan niet worden gevolgd, nu uit de videobeelden duidelijk blijkt dat er minstens 7 vuurwerkproducten langs de kant van de weg stonden opgesteld en het geenszins wordt aangetoond dat de vuur-werkdoos, die door de heer M.R. werd aan-gestoken deze is, werd aangekocht bij V. Bij gebrek aan het bewijs van het feit dat het bij V. aangekocht vuurwerk gebrekkig zou zijn en het ongeval heeft veroorzaakt, zijn de vorderingen van de heer M.R. ten aanzien van V. Events en B. ongegrond. De vordering in vrijwaring van V. ten aan-zien van B. en deze van B. ten aanzien V. zijn zonder voorwerp. Het bestreden von-nis wordt op dit punt bevestigd
    corecore