289,826 research outputs found

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868

    De bepaling van fasen-biocontinuïteit in mengsels van polymeren

    No full text
    Kunststoffen vinden steeds meer toepassing in de huidige maatschappij. Vandaar dat het onderzoek naar de verbetering van polymeren sterk is toegenomen. Deze verbeteringen worden vaak verkregen door polymeren onderling te mengen. Polymeren mengen echter meestal niet op molekulaire schaal maar vormen een dispersie. Dit zijn bol-, plaat- of vezelvormige deeltjes in een matrix van een ander polymeer. De mogelijkheid bestaat ook dat beide fasen in een mengsel een continu netwerk vormen. Men spreekt dan van bicontinue fasen systemen of interpenetrerende polymere netwerken…Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe

    doan-van/S-k-means: S-k-means

    No full text
    S k-means program was developed by a team led by Quang-Van DOAN at the Center for Computational Sciences (CCS), the University of Tsukuba. S k-means can be used by any person or entity for any purpose without any fee or charge. We request that any user include this notice on any partial or full copies of S k-means. S k-means is provided on an "AS IS" basis and any warranties, either express or implied, including but not limited to implied warranties of non-infringement, originality, merchantability, and fitness for a particular purpose, are disclaimed. In no event we shall be liable for any damages, whatsoever, whether direct, indirect, consequential, or special, that arise out of or in connection with the access, use or performance of S k-means, including infringement actions

    Uitvoeringsrisico¿s van de bouwkuipwanden onder Amsterdam

    No full text
    In de complexe situatie van een groot openbaar vervoersknooppunt en de aanwezigheid van een monumentaal stationsgebouw worden er zeer hoge eisen gesteld aan het ontwerp en de uitvoering van de bouwkuip ten behoeve van de Noord/Zuidlijn onder het Amsterdam Centraal Station. In deze bouwkuip zal er een tunnelelement invaren en afgezonken worden, die dienst zal doen als metrotunnel. Door het uitvoeren van een risicoanalyse zijn de bedreigingen van het ontwerp en de uitvoering geentariseerd en is er de onderlinge samenhang van de risicos binnen het systeem onderzocht. Hieruit bleek dat er zeer veel bedreigingen gerelateerd zijn aan de waterdichtheid van de bouwkuipwanden. Het besteksontwerp van de buispalenwanden onder het emplacement is vanwege de risicos met betrekking tot de waterremmendheid vervangen is door een alternatieve, innovatieve uitvoeringsmethode. Deze nieuw ontwikkelde uitvoeringstechniek, de microtunnellingmethode, is nog niet eerder op deze wijze toegepast: met behulp van een verticaal opgestelde schildboormachine worden de buispalen op diepte gebracht. Deze alternatieve buispalenwand is daarom geanalyseerd met een Monte Carlo model, waarbij het aantal optredende lekkages bepaald wordt. De kern van de waterkerendheid van de buispalenwand is de stalen slotverbinding die zich tussen de buispalen bevindt. In het Monte Carlo model worden de toleranties van het slot getoetst aan de hand van plaatsafwijkingen en scheefstand van de individuele buispalen. Het verwachte aantal lekkages in de gehele buispalenwand wordt geschat op drie. Evan de belangrijkste aannamen van het model is het onafhankelijke gedrag van de buispalen tijdens het aanbrengen. In werkelijkheid zullen deze elkaar wel beloeden als gevolg van geleiding van de paal tijdens het inbrengen door de koppelsloten en de aanpassing van de paalplaats aan de reeds geplaatste aansluitende palen. De verwachtingswaarde voor het aantal gaten zal dan lager uitkomen. Ondanks dat de microtunnellingmethode een nieuwe, innovatieve uitvoeringstechniek is die nog niet toegepast is op deze wijze, lijkt de buispalenwand aangebracht middels deze microtunnellingmethode volgens het Monte Carlo-model veelbelovend om op deze wijze toe te passem onder het Amsterdam Centraal Station, mits er nog een aantal zaken onderzocht worden, zoals de slottoleranties, de beheersbaarheid van de buisrotatie en de afhankelijke plaats van de mannelijke buispalen in het model. Op basis van de gevoeligheidsanalyse van de getoetste variabelen in het model, wordt aanvullend onderzoek om de microtunnellingmethode te verbeteren aanbevolen voor de volgende twee parameters: de mogelijkheden voor controleerbaarheid en stuurbaarheid van de rotatie van de buispaal om zijn eigen as De slotsterkte en geleidingseigenschappen zijn niet in het model getoetst. In deze parameters zit nog reservecapaciteit, zoals (plastische) vervorming, totdat er daadwerkelijk functieverlies van de slotverbinding optreedt. Deze slottoleranties zouden nog verder onderzocht moeten worden. Ook zal het model aangepast moeten worden met betrekking tot de plaatsing van de mannelijke buispalen die afhankelijk zijn van de aansluitende vrouwelijke buispalen om tot een betere kansbenadering van het aantal lekkages te komen. Daarnaast dienen er een aantal noodscenarios opgesteld te worden om de gevolgen van een lekkage, die zich onverhoopt tijdens van de verschillende fases kan voordoen, te beperken, waarbij vooral aandacht besteed moet worden aan de positie van de pontons tijdens het afzinken.Civil Engineering and Geoscience

    Risicoanalyse van een geboorde tunnel

    No full text
    Door het gebrek aan ervaring is het ontwerpen van een geboorde tunnel niet eenvoudig. Onbekend is welke risico's aan het boren in slappe grond verbonden zijn en wat hun onderlinge relatie is. Het afstudeerwerk bestaat uit de risicoanalyse van een geboorde tunnel in slappe grond, waarbij is vastgesteld wanneer een tunnel faalt. De risicoanalyse stapt af van de traditionele deterministische rekenwijze. Bij deze klassieke rekenwijze wordt uitgegaan van een veiligheidsfactor F. De constructie moet een belasting kunnen opnemen, die F maal de normale belasting is. De veiligheidsfactor is groter dan een en moet allerlei onzekerheden dekken. Voorbeelden hiervan zijn: de belasting kan toenemen in de tijd, de materiaalsterkte kan afnemen in de tijd, er zit spreiding in de belasting en in de afmetingen van de constructieonderdelen en in de bouwfase kunnen er dingen mislopen, die invloed hebben op de gebruiksfase. Meestal neemt men F 'voldoende groot' , wat vaak oneconomisch is. De risicoanalyse neemt in principe alle oorzaken, die kunnen leiden tot falen, mee. De eerste vereiste bij het maken van een risicoanalyse is inzicht te hebben in het boorproces. De, tot nu toe, meest geschikte methode om in Nederland een tunnel te boren is de schildmethode. Deze methode wordt ook gebruikt bij de bouw van de 2e Heinenoordtunnel. De schildmethode berust op het vooruitdrukken van een schild in de grond. Het schild is een stalen buis met een iets grotere binnendiameter dan de buitendiameter van de te maken tunnel. Aan de voorkant van het schild wordt de grond door de tunnelboormachine ontgraven en door het al gerealiseerde tunneldeel afgevoerd. Aan de achterkant van het schild wordt de tunnelmantel samengesteld. De tunnelmantel bestaat uit ringen, opgebouwd uit (meestal) gewapend betonnen prefab segmenten. De segmenten worden aangevoerd door het gerealiseerde tunneldeel en direct achter het schild geplaatst. Na het plaatsen van de segmenten schuiven de vijzels uit en wordt het schild voortbewogen doordat deze vijzels zich afzetten tegen de segmenten. Tijdens het plaatsen van de segmenten worden de vijzels ingetrokken en staat de TBM en dus het ontgravingsproces stil. De ruimte buiten de tunnelmantel, die is ontstaan door het ontgraven van de iets grotere doorsnede van het schild, wordt gelijktijdig met het boren (voortduwen van het schild) gevuld met een groutmengsel. Alle ongewenste gebeurtenissen die tijdens het boorproces of tijdens de gebruiksfase van de tunnel kunnen optreden en tot falen leiden, zijn geanalyseerd en in een foutenboom weergegeven. Een foutenboom laat alle ongewenste gebeurtenissen en combinaties van ongewenste gebeurtenissen, die tot falen leiden, zien. De foutenboom is opgedeeld in twee fasen: de bouwfase en de gebruiksfase. Het falen van de tunnel is de meest ongewenste gebeurtenis (de topgebeurtenis). De defmitie van falen in de bouwfase bestaat ten eerste uit het oplopen van emstige vertragingen tot het eventueel niet realiseren van de tunnel en ten tweede kan de negatieve invloed op de omgeving tijdens het boorproces te groot zijn. Het falen van de tunnel in de gebruiksfase kan technisch of sociaal van aard zijn. De tunnel faalt technisch als de tunnel langer dan een half jaar onbruikbaar is of als de invloed op andere werken te groot is. Sociaal falen houdt in dat de tunnel niet aan de gebruikerseisen voldoet. De foutenboom is op twee manieren te gebruiken: 1. om de totale faalkans van een tunnel uit een ontwerp te berekenen, 2. om een ontwerp voor een tunnel vanuit een toelaatbare faalkans te maken. Binnen dit project is de foutenboom op beide manieren gebruikt. Eerst is de toelaatbare faalkans van de tunnel bepaald en verdeeld over de mechanismen. Vervolgens is voor twee mechanismen de faalkans berekend. AIs laatste is de berekende faalkans vergeleken met de toelaatbare faalkans. De faalkansberekening is gebaseerd op het voorontwerp van de 2e Heinenoordtunnel.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    NMR, water and plants

    No full text
    This Thesis describes the application of a non-destructive pulsed proton NMR method mainly to measure water transport in the xylem vessels of plant stems and in some model systems. The results are equally well applicable to liquid flow in other biological objects than plants, e.g. flow of blood and other body fluids in human and animals (Chapter 8). The method is based on a pulse sequence of equidistant πpulses in combination with a linear magnetic field gradient G.Following a general introduction and a survey of the properties of water in plants (Chapters 1 and 2), the basic NMR theory as well as reviews on the application of pulsed NMR to the determination of flow, diffusion and water content are presented in chapter 3.A mathematical treatment has produced analytical expressions for the shape of the signal S(t), based on a model in which the flowing fluid is thought to receive a ½π-τ-(π-τ-) n pulse train: a ½πpulse upon entering the r.f. coil followed by a sequence of equidistant πpulses until the fluid leaves the coil; simultaneously, this movement. of the fluid along a magnetic field gradient applied in the direction of flow produces a phase shift of the nuclear magnetization with respect to the rotating frame of reference (Chapter 4). Although this model does not lead to perfect agreement between the experimental and theoretical signal shape S(t), it correctly predicts the effects of experimental parameters on S(t) via analytical expressions. The main results from this theoretical treatment in combination with computer simulations, which have been experimentally verified in glass capillary systems, are:- as long as T 2≥ ½T 1 , the mean linear flow velocity v can be found from the time t max at which a maximum appears in the signal shape: v=C/t max , where C is a calibration constant, depending on G, τand the flow profile. If T 2 <½T 1 v can only be reliably determined when both T 1 and T 2 of the flowing fluid are known.- T 2 and the amount of flowing water in the coil V, and consequently the volume flowrate Q, can be determined from the height of the maximum S(t max ) and t max . Depending on the value of T 2 and the value of the ratio T 1 /T 2 , T 2 and V are found from a semilog plot of either S(t max ) vs. t max (T 1 >>T 2 ) or ∂[S(t max ) . t max ]/∂t max vs. t max (T 1≈ T 2 ).Based on flow measurements in plant stem segments (Chapter 5) it has been suggested that T 2 strongly depends on the vessel diameter for the narrow xylem capillaries. This behaviour of T 2 can explain negative results in plant stems with small vessel diameter. Under the present experimental conditions the method has been successfully applied to Cucurbitaceae (cucumber, gherkin, pumpkin) and tomato plants.T 2 measurements in wheat leaves have been shown to be insensitive to the presence of cell-bound paramagnetic ions (Chapter 7). The magnitude of T 2 of two separate water fractions (covering -90% of the total water content) has been found to be inversely proportional to water content. Measurements of flow and water content have been combined for an intact gherkin plant (Chapter 5), demonstrating that the combination of both NMR methods results in a powerful non-invasive method to study important parts of the plant water balance simultaneously. The results strongly suggest that the method can be used as an early warning for development of stress phenomena in plants, due to drought and other factors. From the flow measurements it has been shown how in a plant system the values of T 2 and T 1 of the water in the xylem vessels can be determined and estimated, respectively.A comparison between the results obtained with NMR, heat pulse and weight balance flow measurements is presented in Chapter 6. A linear relationship between the linear flow velocity obtained by NMR and the volume flowrate determined by the balance method yields an effective cross-sectional area available for flow of ~50% of the cross-sectional area of the xylem vessels measured by using a microscope. NMR measurements alone yield a slightly lower value of the effective cross-sectional area. Compared with the NMR method, the heat pulse method monitors only relative changes in the flow velocity. A plot of the flow velocity obtained by the heat pulse method versus the volume flowrate obtained by the balance method exhibits some unwanted experimental scatter.Chapter 8 suggests some applications of the pulsed NMR flow method, also to other systems than plants, and defines important instrumental requirements for these applications

    Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar

    No full text
    Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200

    Karakterisering, modellering en verbetering van PET/HDPE-mengsels ten behoeve van de materiaalherverwerking

    No full text
    In dit onderzoek is gekeken naar de eigenschappen van PET /HDPE-mengsels. De mechanische eigenschappen van mengsels met verschillende samenstelling zijn getest. Ter verbetering van deze mechanische eigenschappen is Kraton (een SEBS-blok-copolymeer) als compatibiliser toegevoegd. Dit had een weinig spectaculaire invloed. Het is dan ook dubieus of Kraton als compatibiliser of als rubber werkt. De mengsels zijn daarnaast gekarakteriseerd met behulp van verschillende andere methoden, zoals DSC en diëlektrische analyse. Met de laatste methods is het mogelijk kleine hoeveelheden PET in HOPE te detecteren. Er is geen invloed van de compatibiliser op de dielektrische eigenschappen waargenomen. Tenslotte zijn de PET /HDPE-mengsels gemodelleerd met behulp van mengformules. De verliespieken blijken uitstekend voorspeld te kunnen warden met behulp van de mengformules.Applied SciencesTechnologie der Macromoleculaire Stoffe

    Het effect van kribverlaging op de afvoercapaciteit van de Waal ten tijde van hoogwater

    No full text
    Om in de toekomst de veiligheid rondom de Nederlandse rivieren tegen overstromen te waarborgen heeft het kabinet het standpunt "Ruimte voor de Rivier" ingenomen. Hierin staat beschreven dat in 2015 een pakket aan maatregelen ervoor moet zorgen dat een maatgevende Rijnafvoer van 16.000 m³/s binnen de gestelde veiligheidsnormen moet kunnen worden afgevoerd. Deze maatregelen betreffen naast extra dijkverbeteringen projecten die ervoor moeten zorgen dat de ruimte wordt teruggegeven aan de natuur. Een van deze maatregelen is het verlagen van de kribben in de Waal. Door het verlagen van de kribben zal de hydraulische weerstand van de rivier afnemen. Hierdoor wordt de afvoercapaciteit van de rivier vergroot. Het is echter onduidelijk hoeveel de afvoercapaciteit zal toenemen en of kribverlaging een effectieve maatregel tegen de hoogwaterproblematiek is. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de toename van de afvoercapaciteit als gevolg van kribverlaging. Om deze doelstelling te verwezenlijken moet de bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier worden geanalyseerd en gekwantificeerd. De bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier is onderzocht met behulp van twee eenvoudige eendimensionale modellen. De onzekerheden in deze modellen zijn verkleind met behulp van een 2DV numeriek model. Naar aanleiding van de resultaten van het 2DV model kan geconcludeerd worden dat de beste benadering voor het beschrijven van de stroming over een krib is om te weerstand van de krib te beschouwen als een sleepweerstand. Omdat de stroming bij overstroomde kribben driedimensionaal is, is ook gebruik gemaakt van een numeriek 3D model. Hiermee is bepaald hoe de hydraulische weerstand van de gehele rivier verandert als de kribben worden verlaagd. Uit de modelresultaten kan een goede schatting worden gegeven van de toename van de afvoercapaciteit gerealiseerd door het verlagen van de kribben. Op grond van de resultaten van het model kan worden geconcludeerd dat wanneer de kribben aan weerszijde van de rivier worden verlaagd met 1 meter de afvoercapaciteit kan toenemen met 200-250 m³/s. Een verlaging van 2 meter levert een toename op van 350-400 m³/s. Dit komt overeen met een waterstandsdaling van respectievelijk 7 en 13 cm voor een maatgevende Rijnafvoer van 15.000 m³/s.Civil Engineering and Geoscience

    Pennington, Aaron S. et al. v. Van Winkle, John S. et al.

    No full text
    Suit and cross suit. Case includes the transcript of Abraham Van Houten Sr.'s will. Jack, Bett, and Tom, who were enslaved by Van Houten, are listed as beneficiaries in this will
    corecore