748 research outputs found
Percutaneous Coronary Intervention Appraisal of the vascular status and functional outcome
Royen, N. van [Promotor]Rossum, A.C. van [Promotor]Mieghem, N.M.D.A. van [Copromotor]Kiemeneij, F. [Copromotor
Cardiac Hybrid PET/CCTA Imaging for the Detection of Coronary Artery Disease
Rossum, A.C. van [Promotor]Lammertsma, A.A. [Promotor]Knaapen, P. [Copromotor]Raijmakers, P.G.H.M. [Copromotor
Analysis and engineering of acetyl-CoA metabolism in Saccharomyces cerevisiae
CRISPR/Cas9 is a novel Swiss Army Knife in the field of synthetic biology. The thesis of Harmen van Rossum (Biotechnology/TNW) shows that this tool enables rapid genetic modification of baker’s yeast; six genetic changes could be introduced within one week – previously this could easily take a few months.The goal of the PhD project was to optimise yeast as a cell factory for the production of a wide variety of compounds, like jet fuels and diesel replacements from renewable sources. An important precursor for such products is acetyl-CoA, a universal building block that also participates in many metabolic and physiological processes. However, its synthesis in yeast is suboptimal, requiring more sugar than necessary. Competition with fossil-based production processes is challenged by such inefficiencies. The thesis showed that this can be addressed by a combination of synthetic biology, laboratory evolution and genetic engineering. Besides replacing the native acetyl-CoA production pathway in baker’s yeast by more efficient routes from other organisms, it was also demonstrated that the direction of an important shuttle system (the carnitine shuttle) could be reversed. Such changes are key to improve acetyl-CoA production from sugars. Harmen’s PhD project was part of the BE-Basic program and in close collaboration with DSM (Delft) and Amyris (Emeryville, CA, USA). Currently, Harmen van Rossum works as a scientist at the biotech company Zymergen (Emeryville, USA)
De synthese en karakterisering van core-shell waterafdunbare dispersies
Het doel van dit onderzoek was de synthese van core-shell waterafdunbare dispersies (latices) en de karakterisering daarvan m.b.v. UV/VIS spectrofotometrie. Voor de karakterisering moest de deeltjesgrootteverdeling smal zijn. Bij deze latices bestaan de kernen van de deeltjes uit een ander polymeer dan de schil. Bij dit onderzoek werd als core polystyreen genomen en als shell een polyacrylaat zoals butyl acrylaat, butyl methacrylaat en ethyl acrylaat. De syntheses werden voornamelijk uitgevoerd volgens de kiem emulsiepolymerisatie. Een andere methode was de shot-growth emulsiepolymerisatie. Het is gelukt om core-shell latices te bereiden, die voldoen aan de eisen om er lichtverstrooi ïngsmetingen (UV/VIS) op uit te voeren. Butyl methacrylaat bleek hierbij het beste monomeer te zijn voor de vorming van de schil. M.b.v. de lichtverstrooïngsmetingen kon de structuur van de gecoalesceerde core-shell latexfilms beschreven worden. Uit deze structuur kon geconcludeerd worden, dat de bereide deeltjes een coreshell structuur hebben. Andere technieken die gebruikt werden om deze deeltjes te onderzoeken waren: zeeptitraties, electronen microscopie, MFT (minimale filmvormingstemperatuur) bepalingen en Tg bepalingen m.b.v. DSC. Deze metingen gaven ook aan dat de deeltjes coreshell's waren. De MET bleek echter hoger te zijn dan werd verwacht.Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe
Slave trade prices in the Indian Ocean, Indonesian Archipelago and Atlantic worlds
This database contains prices paid for enslaved people in the Indian Ocean, Indonesian Archipelago and Atlantic worlds and is mainly based on Dutch source material. Its datasets were created by the author (M. van Rossum) for the article ‘Towards a global perspective on early modern slave trade: prices of the enslaved in the Indian Ocean, Indonesian Archipelago and Atlantic worlds’, Journal of Global History 17:1 (2022) 42-68, https://doi.org/10.1017/S1740022821000139
De waterbeweging in kanalen veroorzaakt door scheepvaart
Collegedictaat in aansluiting van het vak Scheepvaartwegen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Kustverdediging na 1990 (Kustnota 1990): Technisch Rapport 12: Strandhoofden en paalrijen, evaluatie van hun werking
Langs de Nederlandse kust zijn in de loop der eeuwen een groot aantal strandhoofden en (na 1965) een kleiner aantal paalschermen gebouwd. Het doel van deze hoofden is het verminderen van de kusterosie. Hoofden zijn, naast de bouw van zeedijken, lange tijd het enige middel geweest om iets aan kustverdediging te doen. Veel hoofden zijn gepland en gebouwd op basis van ervaring en evaluaties van het kustgedrag over een relatief korte periode. De theoretische concepten, die de laatste 20 jaar ontwikkeld zijn, hebben geen afdoende kwantitatieve beschrijving kunnen geven van de werking van strandhoofden op de lange termijn. Door een analyse uit te voeren van de werking van de strandhoofden langs de Nederlandse kust, wordt in dit rapport getracht een uitspraak te doen over het nut van de bestaande hoofdenstelsels en over de vraag of het zinvol is nieuwe hoofdenstelsels te bouwen. Geconstateerd wordt dat hoofden op twee verschillende manieren invloed kunnen hebben op het kustgedrag, nl. via een beinvloeding van het door golven aangedreven brandingsstroomtransport en door een beinvloeding van de aanval van de getijstroom op de kust. In dit laatste geval is de werking van een strandhoofd te vergelijken met die van een rivierkrib. Uit de analyse is gebleken dat op die plaatsen waar strandhoofden de getij stroom van de kust afhouden (dus als krib werken), zij over het algemeen goed tot zeer goed functioneren. Dit zijn vrij kostbare hoofden, omdat door de stroming contractiekuilen voor de koppen van de hoofden ontstaan, die op hun beurt weer een zware kopbestorting van het hoofd vereisen. Het handhaven van deze hoofden is noodzakelijk. Afbreken zal automatisch tot kusterosie gaan leiden. Op plaatsen waar strandhoofden als brandingsstroom remmers werken, is hun werking minder duidelijk aan te tonen. In die gevallen waar de resulterende brandingsstroom klein is (bijv. door golfinval uit vele verschillende richtingen) blijken strandhoofden nauwelijks te functioneren in het tegengaan van doorgaande erosie De indruk be staat dat door de bouw van deze hoofden het strand en de onderwateroever iets steiler is gaan staan. Afbraak van deze hoofden leidt wellicht tot verflauwing van de kust, en dientengevolge tot tijdelijke erosie. Bij de meeste kustvakken waar dit soort hoofden liggen is een dergelijke tijdelijke erosie niet toelaatbaar; afbraak van hoofden mag dus alleen plaatsvinden na een zeer gedegen studie over de morfologische gevolgen van het verwijderen van de hoofden. In die gevallen waar duidelijk wel een overheersende golfrichting is, blijken strandhoofden de doorgaande erosie (met name boven de laagwaterlijn) te verminderen Dit leidt wel altijd tot grote lijerosie, die bestreden kan worden door de bouw van nog meer hoofden. In deze gevallen is het doel wel min of meer bereikt. De kosten zijn echter zeer hoog, door de noodzaak om "lijerosiehoofden" te bouwen. Afbraak van deze hoofden moet afgeraden worden, omdat de kust zich inmiddels aan de nieuwe situatie aangepast heeft (is een stuk steiler geworden). Hierdoor zal afbraak altij d leiden tot versterkte erosie.Kustnot
Het gedrag van zandwatermengselstromingen bij zandsluitingen
Dit rapport is het resultaat van een studie aan de vakgroep Kustwaterbouwkunde, afdeling Civiele Techniek van de Technische Hogeschool Delft, verricht in het kader van MODVLO, het door de Deltadienst van de Rijkswaterstaat gelnitieerde onderzoeksplan naar hooggeconcentreerde zandwatermengselstromen. De studie sluit nauw aan op het onderzoek bij de Deltadienst naar de beoogde zandsluitingen in de Oosterschelde (Koster, 1985, van Rossum, 1985, 1986), op afstudeeronderzoek aan de TH (Delver/- Verwoert, 1986) en op het onderzoek op het Waterloopkundig Laboratorium te Delft (Winterwerp, 1986).KustwaterbouwkundeHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
- …
