72 research outputs found
Different in vitro sperm challenge and its relationship with in vivo bull fertility.
Edição dos proceedings do 29º Annual Meeting of the Brazilian Embryo Technology Society, 2015, Gramado
Aanslibbing Natte Strook
In scheepvaartkanalen worden er steeds meer natuurvriendelijke oevers aangelegd. Dit zijn oevers die bestaan uit een vooroever en een daarachter gelegen natte strook of plasberm. In de vooroever zitten openingen die dienen om vers water vanuit het kanaal naar de natte strook te laten stromen om ongewenste effecten van stilstaand water te voorkomen. Tengevolge van scheepvaart ontstaat er een wateruitwisseling tussen kanaal en natte strook. Schepen wervelen ook slib op, waardoor er slibrijk water de natte strook instroomt. In de praktijk is gebleken dat de natte stroken aanslibben. Het doel van dit project was om de fysische verschijnselen te identificeren die bij de aanslibbing een rol spelen. Verder moest worden bekeken welke parameters deze verschijnselen sturen. Het project dient verder ook als pilot studie voor het modelleren van natuurvriendelijke oevers. Er is een pocesanalyse gedaan naar de waterbeweging en de aanslibbings processen. Uit de procesanalyse volgen hypotheses, die vervolgens met behulp van experimenten (simulaties van de processen in een model natte strook) worden getoetst. Zo blijkt uit de proces analyse de volumeuitwisseling, uitgedrukt in het volumeuitwisselings percentage p) afhankelijk te zijn van de grootte van de opening (a), het verval over de opening (Ml) welke veroorzaakt wordt door een spiegeldaling rond varende schepen, en de duur van de spiegeldaling (TsJ. Vegetatie verhoogt de hydraulische weerstand en zal de langsstroming in de natte strook vertragen. De netto concentratie toestroom is het verschil tussen de in- en uitgestroomde slibconcentratie door de opening van de vooroever naar de natte strook. De valsnelheid (w) in combinatie met de periode stilwater (T, periode tussen scheepspassages) bepalen hoeveel slib er bij een bepaalde diepte van de natte strook <hns) kan bezinken. Samen leveren deze parameters de dimensieloze parameter T·w/h op. De netto slib concentratie toestroom is dus afhankelijk van p en T·w/h. Door de vertragende werking van vegetatie op de langstroming zal de aanslibbing worden versneld. De experimenten zijn uitgevoerd in een model natte strook met een verticale vooroever, waarin een opening zat. Deze beyond zich bij het wateroppervlak (overlaat) of eronder (onder doorlaat). Scheepspassages zijn gesimuleerd door een verval over de opening te creeren. Er zijn eerst experimenten uitgevoerd om alleen de waterbeweging te simuleren en vervolgens de aanslibbing. Tevens is er een analytisch model afgeleid waarmee de gemiddelde natte strook concentratie bepaald kan worden. Er kan geconcludeerd worden dat de belangrijkste parameters voor de aanslibbing zijn: \u95 volumeuitwisselings percentage p; Deze parameter bepaald de hoeveelheid slib die de natte strook instroomt en de langsstroming. \u95 de parameter T·w/h; Deze parameter bepaald hoeveel slib er kan bezinken. \u95 vegetatie geen invloed heeft op het volumeuitwisselings percentage. Het vertraagt wel de langsstroming en er blijkt een toename te zijn van de netto slibconcentratie toestroom naar de natte strook. Voor toekomstige projecten wordt aanbevolen de huidige proefopstelling aan te passen en het analytisch model verder te ontwikkelen tot computer model.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Faserings- en uitvoeringsaspecten van de landaanwinning Maasvlakte II
Het Samenwerkingsverband Maasvlakte 2 Varianten (SM2V) heeft als doel de mogelijkheden van een landaanwinning ten westen van de bestaande Maasvlakte te beschouwen. Deze landaanwinning werd oorspronkelijk gezien als een oplossing voor twee problemen: 1. Er wordt verwacht dat in de nabije toekomst in het Rotterdamse havengebied ruimtetekort zal ontstaan voor haven- en industrigle activiteiten; 2. Het wordt wenselijk geacht dat de kwaliteit van de leefomgeving in de regio Rijmond verbeterd wordt. SM2V heeft verschillende landaanwinningsvarianten ontworpen, die bestaan uit 1000 ha netto havenen industriegebied en 750 ha natuur- en recreatiegebied. Deze oppervlaktematen voor het haven- en industriegebied komen voort uit een voorspelde ruimtebehoefte voor het jaar 2020. De verschillende varianten zijn vervolgens teruggebracht tot 3 wezenlijk verschillende ontwikkelingsrichtingen: A) Ruimte voor ontwikkeling: maximale ruimte voor uitbreiding haven en natuur; B) Voortzetting structuur: haven, natuur en infrastructuur worden in westelijke richting doorgetrokken; C) Land binnen grenzen: beperkte landaanwinning zonder natuur. Bij het maken van deze drie varianten is rekening gehouden met een grote verscheidenheid aan randvoorwaarden, maar er is nog geen rekening gehouden met faserings- en uitvoeringsaspecten. In dit rapport worden enkele faserings- en uitvoeringsaspecten van de landaanwinning beschreven. Het rapport is in drie fases opgedeeld. In de eerste fase wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een gefaseerde uitvoering van de drie landaanwinningsvarianten. In de tweede fase wordt een onderzoek uitgevoerd naar optredende sedimenttransporten bij verschillende kustvormen. In de derde fase wordt tenslotte de bouwplanning in meer detail beschouwd, met name voor de bouw van de golfbrekers.Civil Engineering and Geoscience
Een adaptieve planning voor Maasvlakte 2: Toegespitst op de containersector, waarbij flexibiliteit is gewaardeerd met de Reële Optie Methode
Vanwege de vele onzekerheden binnen de ontwikkeling van een langlopend, kapitaalintensief en complex project, zoals Maasvlakte 2, kan een statische planning niet voldoen. De strategie voor de ontwikkeling van Maasvlakte 2 vereist een dynamisch element. Een adaptieve planning die zich aan kan passen aan veranderde omstandigheden. Hiervoor is echter wel inzicht in de flexibiliteiten benodigd. Een geldelijke waardering ervan kan hierin voorzien. Omdat een adequate waardering van flexibiliteit nu ontbreekt, blijft ook de erkenning van het nut van flexibiliteit achter, zowel in de ontwikkeling van Maasvlakte 2 als van de grootste ruimtevrager de containersector. Met de Re Optie Methode (ROM) kunnen de flexibiliteiten, ofwel de re opties, gewaardeerd worden. Door met de ROM enige re opties binnen de containersector te waarderen en vervolgens voor Maasvlakte 2 -toegespitst op de containersector- een adaptieve planning te ontwikkelen wordt het potentieel van de beschikbare flexibiliteiten zo optimaal mogelijk benut. Aan de hand van verschillende scenarios zijn de voornaamste onzekerheden binnen de containersector geselecteerd de ontwikkeling van de ruimteproductiviteit en de overslag. Waarna verschillende re opties gentificeerd zijn die het hoofd moeten bieden aan deze onzekerheden. Met een model wordt het capaciteitsaanbod op de vraag ernaar afgestemd en hieruit volgen de diverse uitbreidingsstappen; met de bijbehorende ruimtelijke, operationele en financi specificaties. Doordat flexibiliteit ontegenzeggelijk waardevol is, wordt het aanvankelijk behaalde rendement bepaald met de Netto Contante Waarde methode verhoogd door toepassing van de re opties. De resultaten zijn echter wel erg gevoelig ten opzichte van de parameters, waardoor de toepasbaarheid wordt beperkt. Vervolgens is voor Maasvlakte 2 als geheel en de containersector in het bijzonder een adaptieve planning ontwikkeld om het potentieel van de beschikbare flexibiliteiten zo volledig mogelijk te benutten. Door de adaptieve planning kan Maasvlakte 2 en bovenal de containersector op een effectieve manier optimaal tot ontwikkeling worden gebracht, ondanks onzekerheid. De toepassing van de ROM levert het benodigde inzicht in de flexibiliteiten, maar het werkelijk financieel toetsen ervan is niet mogelijk. Wel zijn projecten of maatregelen binnen projecten te conceptualiseren. Voor een optimale ontwikkeling moet het havenbedrijf Maasvlakte 2 dus op een flexibele manier uitwerken; de fasering, de ruimtelijke en operationele invulling van de uitbreidingsstappen moeten optimaal worden afgestemd op de vraag vanuit de markt. Tevens moet het havenbedrijf meer synergie zien te cren tussen de containeroverslag en toegevoegde waarde activiteiten. Met meer kennis omtrent de optieparameters is de ROM vanzelf beter toepasbaar. Toepassing van de ROM op andere sectoren kan zeker ook tot interessante resultaten leiden. Hierdoor zou men meer maatregelen binnen de planning kunnen kwantificeren; waar de maatregelen nu veelal slechts gekwalificeerd zijn.Civil Engineering and Geoscience
Bouw- en Voorraadeconomie 1960-2025: Flow-stock-trend-onderzoek naar omvang, samenstelling, voorraadmutatie en toekomst van de investeringen in de Nederlandse utilitaire gebouwenvoorraad
Het sociaaleconomisch denken over investeringen en bouwproductie was in de naoorlogse periode sterk gericht op groeien onder evenwichtige verhoudingen. Het ging daarbij onder meer om een vanuit welvaartsgroei optimale verhouding tussen woningbouw en totale investeringen in vaste activa. Meer specifiek ging de aandacht uit naar afstemming van de investeringen in bedrijfsgebouwen op de investering in outillage en naar afstemming van de totale utiliteitsbouw op de groei van bevolking (gebruikers), werkgelegenheid en economie. In de jaren zestig kwam het wegwerken van het woningtekort voorop te staan. Niettemin werd ook een aanzienlijke utiliteitsbouwopgave gerealiseerd. In de vroeg jaren zeventig kwamen zowel de woningbouw als de utiliteitsbouw op een topniveau. Vanaf dat moment was de complementaire benadering van de investeringen minder opportuun en werd het de vraag hoe uitbreiding en vervanging in de uiteenlopende categorieën zich verder zouden (moeten) ontwikkelen. Vanaf de jaren zeventig zijn de investeringen in utiliteitsbouw aan sterke golfbewegingen onderhevig. Dit bemoeilijkt het zicht op de structurele ontwikkeling van de toekomstige utiliteitsbouwopgave. In deze studie wordt in principe gekozen voor een integrale benadering van de utiliteitsbouwopgave, als afgeleide van de kwantitatieve en kwalitatieve voorraadontwikkeling. De beschikbare voorraadstatistiek is dan niet toereikend. Om aansluiting te verkrijgen op de bouw- en investeringsstatistiek is teruggevallen op marginale voorraadanalyse (flow-stock-analyse). Daarbij worden de investeringen opgesplitst in een groeigerelateerde uitbreidingscomponent en een vernieuwingscomponent. De gecumuleerde uitbreidingsinvesteringen bepalen de toename van de utilitaire gebouwenvoorraad en bieden basis voor een schatting van de macrovervangingswaarde van die voorraad. Langs die weg is op basis van de uitbreidingsinvesteringen in de periode 1989-2005 de voorraad ultimo 2005 geschat. Dit is zowel op macroniveau als op sectorniveau onderzocht. Vervolgens zijn op sectorniveau de voorraadcijfers ultimo 1988 en ultimo 2005 (in euro's van 2004) gecombineerd met achterliggende bouwvergunningenvolumes in vierkante meters. Dit biedt basis voor een schatting van de voorraad in gebruik 2005 naar vloeroppervlakte per sector en per gebouwtype. Per ultimo 2005 wordt de opstalvervangingswaarde van de totale Nederlandse gebouwenvoorraad geschat op 442 miljard euro (in prijzen van 2004) en is in totaliteit naar schatting 535 miljoen vierkante meters bruto vloeroppervlakte in gebruik. In aansluiting hierop wordt ingegaan op de regionale spreiding van wonen-werken-vastgoed 1970-2025 en de onevenwichtigheden daarin. Het traditionele onderscheid naar bruto investeringen, afschrijvingen en netto investeringen wordt in deze studie vervangen door het onderscheid naar uitbreidingsinvesteringen, vernieuwingsinvesteringen en de daar eventueel bovenuitgaande desinvesteringen. Dit onderscheid biedt een beter vertrekpunt voor korte- en langetermijnprognoses dan het onderscheid naar bruto investeringen, afschrijvingen en netto investeringen. Binnen analyse en prognose variëren de uitbreidingsinvesteringen met de absolute toename van het Bruto Binnenlands Product en op sectorniveau met de absolute outputgroei op toegevoegde waarde basis. De prognose van de vernieuwingsinvesteringen wordt in aanvulling op de bestaande trend aangevuld met de aangroei van de investeringen utiliteitsbouw 25 jaar eerder. Het verloop van de vernieuwingsinvesteringen tot 2025 convergeert op macroniveau met het verloop ervan op basis van de omlooptijd van de investeringen in utiliteitsbouw, zoals die via de flow-stock-trend-analyse waargenomen kon worden. Waar wenselijk is de groei van sectoroutput als indicator voor de uitbreidingsinvesteringen vervangen door meer functionele en/of fysieke indicatoren, zoals werkgelegenheidsgroei, groei van het gebruik of van het vloeroppervlakte uitgedrukt in vierkante meters van de voorraad. De ervaring in de jaren tachtig en later is dat een terugval van de investeringen in utiliteitsbouw direct voorafgegaan wordt door een sterke terugval van de economische groei (BBP-groei). De recente terugval van de economische groei – van 3,5% groei in 2007 naar 4,5% krimp in 2009 – is ongekend hoog. Dit onderzoek leert dat in de jaren 2008-2011 gevreesd moet worden voor een sterkere terugval van de totale utiliteitsbouw dan in de jaren 1980-1983. Na de wereldwijde financiële en economische crisis is het groeipotentieel van de economie, zoals dat tot 2007 onderkend is, sterk verzwakt. Structureel speelt hier mee dat de Nederlandse beroepsbevolking niet meer groeit, dientengevolge de economische groei afhankelijk wordt van de macroarbeidsproductiviteit en daarnaast hogere eisen aan economie en voorraadbeheer worden gesteld vanuit het duurzaamheidsperspectief. De investerings- en voorraadontwikkeling in de jaren nul heeft geleid tot toenemende leegstand en onderbenutting van de bestaande gebouwenvoorraad en het aanwezige bedrijfsareaal. Voor de periode 2010-2025 wordt onderscheid gemaakt tussen een Downcycling scenario met volledig herstel van economische groei (2,2%), verdere leegstand en onderbenutting van de utilitaire gebouwenvoorraad en met nieuwbouw boven verbouw&grootonderhoud. Daarentegen past het Upcycling scenario bij maximaal 2% structurele economische groei, meer verbouw&grootonderhoud, levensduurverlenging en stagnatie groei beroepsbevolking. Binnen het Upcycling scenario nemen de investeringen in utiliteitsbouw in de jaren 2008-2011 met circa 30% af en blijven in 2015 nog 5 tot 10% onder het investeringvolume 2008. De langetermijntrend van de investeringen in utiliteitsbouw blijft – ook binnen het Upcycling scenario – licht opgaand. Dit varieert van bij benadering nulgroei van de investeringen voor de Agrarische sector, de Industrie en de Overheid tot zeer sterke groei van de investeringsbehoefte in de Zorgsector. Met dit onderzoek is meer inzicht verkregen in de ontwikkeling van de investeringen in uitbreiding en vernieuwing van de utilitaire gebouwenvoorraad, in relatie met de ontwikkeling van bevolking (gebruikers), werkgelegenheid, economie en aanwezige voorraad. Het biedt voorts een systematisch overzicht van de actuele gebouwenvoorraad naar economische waarde en gebouwtypologie enerzijds en naar economische sector en vloeroppervlakte in gebruik anderzijds. Hierbij is het perspectief verschoven van voorraadwaardering op basis van alles wat gebouwd is en nog niet is afgeschreven, naar voorraadwaardering op basis van de jongere jaargangen die beter aansluiten bij de samenleving, economie en technologie van vandaag.Real Estate & HousingArchitectur
Ankerlijnkrachtberekening voor schepen afgemeerd met een multi-lijn verankeringssysteem
Een constructie waar krachten op werken zal in principe willen vervormen en/of verplaatsen. Deze wil kan gestopt worden doordat, al dan niet door de constructie zelf, reactiekrachten worden opgewekt die de eerder genoemde krachten tegenwerken. In deze -vervormde- toestand werken er netto geen krachten meer op de constructie zodat er dan sprake is van een statische evenwichtssituatie. Ditzelfde geldt voor het verankeringssysteem van schepen. Dit rapport behandelt zo'n systeem waarbij een schip ligt afgemeerd zuiver en alleen met behulp van lijnen. Deze 'lijnen' kunnen bestaan uit kabels, kettingen of samenstelsels daarvan. Voor het ontwerpen van dergelijke systemen dient men uiteraard inzicht te hebben in de krachten (en verplaatsingen) binnen zo'n systeem. Problemen die hierbij opdoemen zijn de statisch onbepaaldheid indien een schip met een veelvoud van lijnen is verankerd, de sterk niet-lineaire kracht-verplaatsingsrelatie van de te gebruiken lijnen en ook zeker de -ondoorzichtige- onderlinge koppeling tussen krachten en verplaatsingen in diverse richtingen. Nu blijkt het ook niet veel voor te komen dat schepen op open zee aan een veelvoud van lijnen, en dus tamelijk plaatsvast, worden verankerd c.q. afgemeerd, zij het dat het voor een speciaal soort schepen nl. boorschepen een vrij gebruikelijk systeem is. Veel vaker treft men de situatie aan dat een schip door middel van een samenstel van dolphins en trossen (aan de kade) is afgemeerd of, zo het dan om de situatie op open zee gaat, aan een enkele ankerlijn of Single Bouy Mooring (SBM). Ook in de literatuur is over het geval van de pure 'multilijn-verankering' vrijwel niets te vinden in tegenstelling tot een overvloed aan boeken en artikelen over de twee andere gevallen van kade en SBM. Hoe hierin de relatie oorzaak-gevolg ligt is de auteur niet bekend, maar dat valt ook geheel buiten het bestek van dit rapport. Dit rapport beoogt een verslag te geven van de werkzaamheden verricht bij het opstellen van een computerprogramma en bijbehorende handleiding ter berekening van krachten en verplaatsingen van een dergelijk multi-lijn-verankeringssysteem.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Spuien op het Markermeer: Een nieuw spuisluizencomplex in de Houtribdijk
In 2008 presenteerde de Deltacommissie haar bevindingen om Nederland ook in de toekomst waterbestendig te houden. Aan van de aanbevelingen was het verhogen van het IJsselmeerpeil met anderhalve meter te verhogen, met verstrekkende gevolgen voor de verschillende aan het IJsselmeer liggende steden. Een van deze steden is Lelystad, dat in haar omgeving naast drie havens ook nog een primaire waterkering in het IJsselmeer heeft liggen: de Houtribdijk, beter bekend als de dijk Enkhuizen-Lelystad. Door de peilverhoging zal niet alleen de dijk moeten worden verhoogd - ook het huidige sluizencomplex, bestaande uit spuisluizen en schutsluizen, zullen moeten worden aangepast. Omdat de aanpassingen zodanig groot zijn, is besloten om een nieuw complex te ontwerpen met nieuwe schutsluizen in de vorm van een naviduct, een nieuwe spui-inrichting en een gemaal. Het besluit om zowel een spuisluis als een gemaal te ontwikkelen komt voort uit het kenmerkende waterbeheer van het Markermeer. In de winter is de aanvoer van water namelijk hoog door de relatief grote regenval en lage verdamping; er is dus noodzaak om water af te voeren naar de zee om ongewenste peilverhoging te voorkomen. Vanuit het Markermeer kan het water op twee manieren worden getransporteerd naar de zee: via het Noordzeekanaal naar de Noordzee of via het IJsselmeer naar de Waddenzee. In de praktijk wordt de voorkeur gegeven aan de afvoer via het IJsselmeer; bij een peilverhoging zal hier in de toekomst dus een gemaal voor nodig moeten zijn. Echter, in de zomer is er een netto verlies van water uit het Markermeer door de grote verdamping en lage aanvoer. Om de waterstand en –kwaliteit in stand te houden is het noodzakelijk om tijdens de zomer zoet water in het Markermeer te laten. Het kwaliteit van het water uit het Noordzeekanaal is niet hoog genoeg, waardoor het enige overgebleven alternatief water vanuit het IJsselmeer in te laten is. Bij een peilverhoging van dat meer is dat ook een logische keuze: door het continu aanwezige verval is de aanvoer van water ‘gratis’. Een grotere controle van het peil van het Markermeer is tevens een wens van de regering die is genoemd in het Nationaal Waterplan. Daarom is ook besloten om een spui-inrichting in de dijk te ontwerpen met de benodigde capaciteit van 90 m³/s bij een waterstandsverschil van 1,0 meter. De spuisluizen worden als een afsluitbare kokerconstructie door de Houtribdijk heen ontworpen. De binnenafmetingen van een enkele koker zijn 93 m x 4,37 m x 1,50 m, met een wanddikte van 0,40 m. De gehele inrichting zal bestaan uit vier van deze kokers, wat verder nog zal bestaan uit deurkasten, twee stortbedden en kwelschermen. De kokers worden gefabriceerd in drie segmenten per koker, die zullen worden afgezonken op de juiste locatie in een tijdelijk ontgraven Houtribdijk. Om het mogelijk te maken om de Houtribdijk te ontgraven zal er een tweede dijk naast de huidige moeten worden aangelegd die de waterkerende en verbindende functie van de Houtribdijk (tijdens de bouw) overneemt. Nadat de sluiskokers geplaatst zijn, kan de dijk weer worden hersteld tot de oude situatie, waarna de sluisdeuren kunnen worden geplaatst en de tijdelijke dijk weer kan worden ontgraven. Op dat moment zal de spuiinrichting een volledig operationeel sleutelelement in het waterbeheer van het Markermeer zijn.Hydraulic EngineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Thermische lozingen in de Maasvlakte 1&2
Due to the planned construction of Maasvlakte 2 the E.ON power plant on the Maasvlakte will not discharge its heated water into the North Sea anymore, but in the harbour basins itself. This together with a planned increase of the total amount of thermal discharges in the Maasvlakte area (power plants of EnecoGen and Electrabel, chemical industry etc.) will most probably lead to an increase of the water temperature within the harbour basins, which can lead to economical, legal and ecological consequences. In cooperation with the Port of Rotterdam and Deltares, this master thesis aimed to give an answer to the amount of increase of water temperature due to the planned thermal discharges, its consequences and measures to reduce this increase of temperature. With the use of some first estimates and a heat-balance there could be concluded that the increase of temperature is significant and that the movement of the tide together with the freshwater flux is the main mechanism for the netto heat flux out of the Maasvlakte area. Stratification has an important influence on the spreading of the heat plumes in the harbours. To give a more accurate prediction of the increase of water temperature at the mixing zone borders and at the intake locations (recirculation), the numerical hydrostatic model Delft3D-FLOW and the near-field model CORMIX are used. It is shown that the regulations will not be exceeded if the borders of the mixing zones are chosen close to the Beerkanaal. The predicted increase of temperature at the E.ON-intake will cause some economical losses. Replacing the intake at a greater depth or (even better) a variable intake near the water surface and bottom could be effective measures to reduce these losses. For a more drastic reduction of the increase of temperature in the harbour basins, relative expensive measures are needed. It is recommended to the Port of Rotterdam to place future thermal discharges as close as possible near the Beerkanaal or North Sea, and to study the ecological effects of the temperature rise in the Eastern Yangtzehaven.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Consumer responses to risk-benefit information about food
Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/
De Oosterschelde naar een nieuw onderwaterlandschap
Het onderwaterlandschap van de Oosterschelde bestaat uit geulen, afgewisseld met platen en slikken en, aan de rand, rijkbegroeide schorren. De platen en slikken zijn als het ware de voedselschuren voor wadvogels. Ze doen dienst als kweekgebieden voor mosselen en kokkels. De geulen bepalen door hun diepte en ligging de scheepvaartmogelijkheden en de stabiliteit van dijken. De omvang en vorm van de geulen, platen, slikken en schorren wordt binnen de dijken bepaald door het dynamisch evenwicht tussen de getijdebeweging, de golfwerking en het sediment. Door de aanleg van de Oosterscheldewerken is het dynamisch evenwicht verstoord. Het getijvolume, de hoeveelheid water die het bekken bij vloed in- en bij eb uitstroomt, is afgenomen. De afmetingen van de geulen zijn aan deze afname nog niet aangepast: het doorstroomoppervlak is te groot. Opvulling van de geulen is de eerste stap in de realisatie van een nieuw dynamisch evenwicht. Zolang dit niet is bereikt lijden de geulen honger, zandhonger zandhonger. Deze zandhonger is berekend op ca. 500 miljoen m3. Om deze honger te stillen zijn er twee "bronnen". De een wordt gevormd door platen, slikken en schorren, welke bij volledige afbraak slechts ca. 160 miljoen m3 zand kunnen leveren. De andere zandbron is de Noordzee. De zandimport door de kering is berekend op ca. 1 miljoen m3 per jaar. Het kan dus 4 à 6 eeuwen duren, voordat er opnieuw een evenwicht wordt bereikt. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele zeespiegelrijzing. De opvulling van de geulen gebeurt niet overal gelijkmatig. Gewoonlijk treedt sedimentatie vooral op in de binnenbochten van geulen. Dat zijn dan ook de plaatsen waar het eerst van extra aanzanding sprake zal zijn. In de buitenbochten zullen de stroomafwaarts gelegen delen het eerst aanzanden. Vóór de realisatie van de stormvloedkering werden de platen en slikken vooral opgebouwd tijdens omstandigheden met springtij en rustig weer. Afbraak vond plaats door de golfwerking gedurende storm. Na het gereedkomen van de stormvloedkering zal de stroomsnelheid gemiddeld afnemen. Bij een snelheidsafname van 30% zal als gevolg hiervan bij rustig weer het zandtransport vanuit de geulen met 75% of meer afnemen. Met andere woorden: de opbouw vanuit de geul neemt dramatisch af, de afbraak door de golven gaat daarentegen gewoon door. De platen en slikken zullen netto eroderen. In 1987 bedraagt het totale areaal aan platen, slikken in de Oosterschelde 10.900 ha. Uitgaande van een afname van 30% in de hoeveelheid in- en uitstromend water, is berekend dat over de eerste 5 jaar na de realisatie van de stormvloedkering ca. 350 ha. plaat- en slikareaal verloren gaat. Bij een getijvolume reductie van 20%, zoals naar voren komt uit recente berekeningen, bedraagt het verlies ca. 300 ha. Na 5 jaar zijn de allergrootste onevenwichtigheden in het systeem aangepast. De afbraak van de platen en slikken zal dan geleidelijk langzamer gaan verlopen. Na 30 jaar is een verlies berekend variërend tussen ca. 1400 en 1600 ha bij een afname van het getijvolume van 20% respectievelijk 30% (Fig.0). De totale verliezen aan plaaten slikareaal blijken weinig te verschillen bij een getijvolume reductie van 20 of 30%. De zandhonger is weliswaar verschillend, maar de grootte orde ligt nog altijd tussen de 400 en 600 miljoen m3. De lage afbraaksnelheid van platen en slikken en de geringe zandimport uit de Noordzee hebben tot gevolg dat het geulsysteem pas over enkele eeuwen opnieuw in evenwicht zal zijn. De zandimport uit de Noordzee zorgt ervoor dat dit evenwicht het eerst in het mondingsgebied wordt gerealiseerd. Het totale verlies aan plaat- en slikareaal over enkele eeuwen wordt geschat in de orde van 3500 ha. Het onderwaterlandschap van de Oosterschelde zal in een nieuwe evenwichtssituatie bestaan uit zeer brede, relatief ondiepe geulen, waartussen en waarlangs met name in het middengebied en de noordelijke tak nog slechts kleine platen en weinig slikken aanwezig zullen zijn. Voor de huidige beheers- en beleidshorizon moet rekening worden gehouden met \u95 een verkleining van de draagkracht van het watersysteem voor wadvogels en andere groepen organismen, die gebonden zijn aan het voorkomen van platen en slikken. \u95 een verschuiving in mogelijke locaties voor mossel- en kokkelproductie. Voortdurende afslag van plaat- en slikranden zal mogelijk lokale schade berokkenen aan de huidige percelen. Hier tegenover staat een uitbreiding van de mogelijkheden in de geulen door een afname van de stroomsnelheid [59]. \u95 lokale verondieping in scheepvaartroutes. \u95 een vergroting van de veiligheid van de oevers
- …
