Xios Theses
Not a member yet
1062 research outputs found
Sort by
Normering van woon- en zorgcentra: vergelijkende studie rusthuis serviceflats
Het project bestaat uit de uitbreiding van woon- en zorgcentrum Prinsenpark in Genk, met daaraan gekoppeld de nieuwbouw van serviceflats. In het rusthuisgedeelte zijn een 35-tal nieuwe kamers voorzien, telkens met een oppervlakte van ongeveer 20m². In het serviceflatgedeelte zijn 22 serviceflats van ongeveer 50m² voorzien op de gelijkvloerse en de eerste verdieping. Op de tweede en derde verdieping zijn nog 30 rusthuiskamers voorzien. In elke kamer is een aangepaste sanitaire cel voorzien en ook zijn er enkele gemeenschappelijke ruimtes.
Gezien het om twee verschillende gebouwen gaat, vallen deze dus ook onder twee verschillende aspecten van de wetgevingen. In deze studie wordt een vergelijking gemaakt tussen enerzijds het wetgevend kader voor rusthuiskamers en anderzijds dat voor serviceflats.
Deze studie spitst zich toe op drie domeinen, namelijk EPB-normering, brandveiligheid en toegankelijkheidseisen. Voor deze domeinen wordt de vergelijking uitgevoerd zodat het in een latere fase eventueel mogelijk is om de bestemming van de verschillende gebouwen op een zo eenvoudig mogelijke manier te wijzigen.
Vervolgens wordt er ook een vergelijking gemaakt met eventuele bijkomende eisen van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA). Dit is een agentschap van de Vlaamse overheid dat financiële steun verleent aan welzijns- en gezondheidsvoorzieningen die infrastructuurwerken willen uitvoeren. Dit agentschap schrijft vaak nog strengere regelgevingen voor dan welke voor privé woon- en zorgcentra gelden.
Strengere regelgeving heeft ook een impact op de planning en kostprijs. Ook hiervan wordt tot slot een korte vergelijkende studie gemaakt.
 
Vergelijkend onderzoek tussen het project \u27Zappen naar je toekomst\u27, gerealiseerd door KOPA Limburg en de noden van de Limburgse jongeren tussen 18 en 25 jaar die er aan deelnemen
Samenwerken aan een persoonlijk ontwikkelingstraject in het deeltijds beroepssecundair onderwijs
Crisis in kaart gebracht. Hoe komt het dat allochtone vrouwen, die slachtoffer van intrafamiliaal geweld zijn, de hulpverlening mislopen?
Does the effect of traffic calming measures endure overtime? A simulator study on the influence of gates and rumble strips
Abstract Dutch
Tussen 1995 en 2009 gebeurden er jaarlijks meer dan 47000 ongevallen op het Belgische wegennet. 880 van deze ongevallen eindigden met een of meerdere doden. Dit illustreert dat er nog veel ruimte voor verbetering is in verband met verkeersveiligheid op de Belgische wegen. Dit onderzoek heeft als doel om 2 mogelijke oplossingen te evalueren die geïmplementeerd worden op 2 specifieke locaties waarvan men eerder heeft aangetoond dat deze plaatsen een verhoogd risico inhouden. De onderzochte plaatsen zijn bochten op wegen buiten de bebouwde kom en doortochten. De 2 onderzochte maatregelen zijn transversale rumble strips bij de bochten en poortconstructies bij de doortochten.
Ongevallen gebeuren 1.5 tot 4 keer meer bij een bocht dan op een stuk gewone weg. Dit zorgt ervoor dat bochten verantwoordelijk zijn voor 25-30% van alle dodelijke opgevallen op wegen buiten de bebouwde kom. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat deze ongevallen het gevolg zijn van het ontwerp van de bocht en menselijke factoren. Menselijke factoren zoals snelheid, laterale positie of aandacht zijn zeer aantrekkelijk voor het verbeteren van verkeersveiligheid omdat deze gemakkelijk beïnvloed kunnen worden.
Doortochten zijn verbindingswegen die doorheen een dorps-of stadskern lopen. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat de overgang tussen de landelijke omgeving en de bebouwde omgeving een zeer gevaarlijk punt is: meer dan de helft van alle ongevallen binnen de bebouwde kom gebeurt op deze wegen. Dit komt door de verlaging van de snelheidslimiet (meestal van 90 km/u of 70 km/u naar 50km/u) gecombineerd met de overgang van de ene omgeving naar de andere (van een rustige gemakkelijke omgeving naar een omgeving die meer complex is en meer aandacht vereist)
Het probleem hierbij lijkt te zijn dat mensen zich op deze plaatsen niet aan hun snelheid kunnen houden en dus met een te hoge snelheid door deze zone heen rijden. Vermits eerder onderzoek heeft aangetoond dat er een duidelijk verband is tussen de frequentie en de ernst van het ongeval, is het dus zeer belangrijk dat mensen met een aangepaste snelheid hier rijden.
Verkeerskalmerende maatregelen zijn maatregelen die ervoor ontworpen zijn om een aangepaste snelheid te bekomen. Eerdere studies hebben al bewezen dat transversale rumble strips bij bochten en poortconstructies bij doortochten al werken. Er is echter nog niet veel onderzoek verricht naar hoelang dit effect behouden blijft na een langere periode. Anders gezegd: er is nog geen empirisch inzicht naar wat het effect is van deze maatregelen als weggebruikers er herhaaldelijk aan blootgesteld worden. Dit brengt ons bij de twee onderzoeksvragen:
-Wat is het langdurige snelheidsverlagende effect van transversale rumble strips bij bochten buiten de bebouwde kom?
-Wat is het langdurige snelheidsverlagende effect van poortconstructies bij doortochten?
Om deze vragen te beantwoorden is er een experiment opgesteld waarbij er met behulp van een geavanceerde rijsimulator het effect van herhaaldelijke blootstelling zal worden geëvalueerd.
Abstract English
Between 1995 and 2009, more than 47000 accidents per year occurred on Belgian roads . Out of these accidents, at least 880 were lethal accidents , with at least 1 person killed. This indicates that traffic safety on Belgian roads still is a big challenge. This research aims at evaluating possible countermeasures in two specific traffic situations that have previously been identified as highly risk prone (i.e., rural curves and thoroughfares).The 2 investigated countermeasures are transversal ruble strips (at the curves) and gateway constructions (at thoroughfares).
Accidents are between 1.5 and 4 times more likely to happen at a curve then on a regular road. Accordingly, curves are responsible for 25-30% of all fatal accidents happening on rural roads. Previous research has established that most accidents are caused by curve design and human factors. Human factors such as speed, lateral position or increased demanded attention are of special interest for traffic safety, since these can be manipulated.
Thoroughfares are rural roads that pass through an urban area. Past research shows that the transition from a rural to a built-up urban area is particularly dangerous with more than half of all urban accidents happening on these main arterial roads. This would be due to the combination of a changing speed limit (typically from 90 or 70 km/h to 50 km/h) with a drastically changing environment (typically from less complex outside the urban area to more complex inside the urban area).
Inappropriate speed monitoring seems to be one of the primary causal factors in these 2 locations. Knowing that different research has shown that there is a strong link between speed and accident severity/frequency, it is important that drivers adopt an appropriate speed..
Traffic calming measures are specifically aimed at inducing safe speed. While transverse rumble strips nearby curves as well as gates nearby rural-urban transitions have been proven to be effective in cross-sectional designs, there is not much known about the persistency of these effects over time. Put differently, up to date there is no empirical insight into what happens if road users repeatedly encounter these countermeasures. Therefore, the goal of this research is to address the following questions
-What is the durability of the speed reducing effect of transversal rumble strips at curves on rural roads?
-What is the durability of the speed reducing effect of gate constructions at the transition from a rural to an urban area?
In order to answer these questions, a longitudinal repeated exposure experiment will be conducted in an advanced medium-fidelity driving stimulator
Reflectiescheuren bij asfaltoverlagingen met de scheurremmende tussenlaag
Een typisch probleem hier in België zijn de oude betonplatenverhardingen uit de jaren vijftig-zestig, veel van deze constructies vertonen ernstige schade en moeten dan ook efficiënt worden hersteld. Door er simpelweg een laag asfalt op aan te brengen wordt het probleem van een gescheurde weg enkel wat opgeschoven. Onregelmatigheden in de oude betonplatenweg slaan immers snel door naar de oppervlakte, mede dankzij de inwerking van thermische spanningen en verkeersbelasting. De specifieke scheuren die dan verschijnen, noemt men \u27reflectiescheuren\u27.
De oplossing om de levensduur van wegconstructies te verlengen, kwam er door een tussenlaagsysteem toe te passen, deze gaan de vorming van reflectiescheuren tegen.
Begin jaren negentig verschenen er in de wegenbouwliteratuur diverse artikels over laboratoriumonderzoek en theorie naar scheurremmende lagen in asfalt. Men is er namelijk van overtuigd dat de toepassing van deze scheurremmende lagen als een nuttige optie wordt ervaren.
Er is nog steeds de vraag voor welke situaties het toepassen van een scheurremmende laag en welk type qua kosten-effectiviteit de aantrekkelijkste optie is. Verder ontbreekt er toch nog meer uitgebreide informatie over het lange termijn gedrag van scheurremmende lagen.
In het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw en de Katholieke Universiteit Leuven liep recent het IWT-project: \u27Trillingsgecontroleerd stabiliseren van betonplaten voor duurzame asfaltoverlagingen met scheurremmende lagen\u27 (2007-2011).
De kennisopbouw in dit project situeert zich op vier vlakken: de staat van de bestaande betonweg, de stabilisatie vooraleer te overlagen, de scheurremmende lagen en de asfaltoverlaging.
Het werkprogramma is ingedeeld in vier werkpakketten, overeenkomstig deze vier thema\u27s.
Deze eindverhandeling kadert in werkpakket 3: \u27De scheurremmende lagen\u27 en handelt over de ontwikkeling van prestatieproeven om de weerstand tegen reflectiescheurvorming te bepalen, de bepaling van de prestaties van scheurremmende lagen met de laboratoriumproeven en de validatie op bouwplaatsen
Ontwikkeling en karakterisering van printbare elektronica
Abstract (Nederlands)
Tegenwoordig wordt er volop onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van printbare dunne film elektronica. Hierbij worden elektronische apparaten door middel van printtechnieken, zoals screenprinten of inkjetprinten, afgezet op een flexibel substraat, bijvoorbeeld PET of papier. Voordelen van deze dunne film elektronica zijn flexibiliteit, gering materiaalverbruik, lage productiekosten en snelle fabricage.
IMO-IMOMEC verricht onderzoek binnen meerdere domeinen. Deze heeft als doel om nieuwe systemen te ontwikkelen en vervolgens te karakteriseren. Hierbij zijn micro-elektronica, bio-elektronica en nanotechnologie de belangrijkste domeinen.
Deze masterproef heeft als hoofddoel om bepaalde onderdelen van een biosensor te ontwikkelen die in staat is om denaturatie op te sporen aan de hand van een temperatuurverandering via een elektronisch systeem. Dit systeem bestaat uit een thermokoppel, batterij, EL-lamp en microcontroller die op eenzelfde substraat printbaar zijn. Het is dus van groot belang om het werkingsmechanisme achter dit principe te begrijpen. Binnen deze thesis worden er meerdere domeinen behandeld voor twee componenten van dit systeem, namelijk de batterij en het thermokoppel.
Allereerst is er theoretisch onderzoek uitgevoerd om zo de ideale materialen voor beide componenten te kiezen en verschillende opbouwen te vergelijken. Praktisch zijn er meerdere domeinen onderzocht, beginnend met de keuze van substraat voor de batterij. Vervolgens werd het beste type stroomcollector gekozen en konden alle materialen besteld en geprint worden. Aangezien de inkjetprinter dit schooljaar niet zou arriveren, werd er over gegaan naar het onderzoek op het thermokoppel.
Voor de soorten thermokoppels, afgezet op glas en PET door een combinatie van screenprinten en sputteren, worden de weerstand en het Seebeck effect besproken. Zo werd de gevraagde resolutie van 0,1 °C behaald.  
Abstract (English)
Nowadays there are plenty of studies on the development of printable thin film electronics. Electronic devices are deposited by printing techniques, such as screen printing or inkjet printing, on a flexible substrate, for example PET or paper. The advantages of this thin film electronics are flexibility, low material consumption, low manufacturing cost and rapid fabrication.
IMO-IMOMEC researches within multiple domains. The goal of this centre is the development and characterisation of new systems. Microelectronics, bioelectronics and nanotechnology are the main domains.
The principal objective of this thesis is the development of certain parts of a biosensor which is capable of detecting denaturation on basis of a temperature change via an electronic system. This system consists of a thermocouple, battery, EL lamp and microcontroller all printable on the same substrate. So it is very important to understand the mechanism of this principle. Within this thesis, multiple domains are handled for two components of this system, namely the battery and the thermocouple.
First off all, a theoretical study was performed to select the best materials for both components, and to compare several constructions. Practically, multiple domains are examined, starting with the proper choice of substrate for the battery. Next, the best type of current collector is selected and all materials could be ordered and printed. Because the inkjet printer wouldn\u27t arrive this academic year, research on the thermocouple started.
The resistance en Seebeck effect of the different thermocouples, deposited on glass and PET by a combination of screen printing and sputtering, are discussed. The required resolution of 0,1 ° C was obtained
Karakterisatie van LC (RFID) tags als MIP biosensor platform
Abstract (Nederlands)
Biosensoren voor de detectie van macromoleculen (bijv. enzymen) en molecules met laag moleculair gewicht (bijv. histamine) zijn zeer interessant voor zowel de medische sector als de gezondheidszorg. De respons van de sensorlaag ten gevolge van de chemische binding wordt meestal uitgelezen door middel van een rechtstreekse verbinding met gespecialiseerde meetaparatuur. Voor consument-geörienteerde toepassingen, zoals verpakkingen van voeding, is dit echter niet altijd mogelijk. Het is daarom wenselijk om biosensoren draadloos uit te lezen. In dit project wordt een resonante kring gebruikt in de vorm van een Radio Frequency Identification (RFID) tag. Als sensorlaag worden Molecularly Imprinted Polymer (MIP) deeltjes gebruikt waarin doelmoleculen zeer selectief kunnen binden. Deze chemische binding resulteert in uitleesbare elektrische veranderingen. Dit kan bijvoorbeeld als een verschuiving in resonantiefrequentie opgemeten worden. De metingen worden uitgevoerd met een vector netwerk analyzer (VNWA). Het doel van deze masterproef is de karakterisatie van tags die gebruikt kunnen worden als sensorplatform voor de MIP sensor en aantonen dat het mogelijk is om deze sensoren via de tags draadloos uit te lezen.
 
Abstract (English)
Biosensors for the detection of macromolecules (i.e. enzymes) and small molecular weight molecules (i.e. histamine) are very interesting for medical and healthcare applications. The respons from the sensinglayer due to chemical binding is often measured by means of a direct connection to specialised measuring apparatuses. For consumer oriented applications, such as food packages, his is not always possible. It is therefore preferred to interrogate biosensors wirelessly. In this project a resonant circuit is used in a similar way as with an Radio Frequency Identification (RFID) tag. Molecularly Imprinted Polymer (MIP) particles are being utilized as sensing layer on which target molecules can bind very selectivly. This chemical bond results in readable electrical changes. Which, for instance, can be measured as a shift in resonance frequency. Measurements will be performed with a vector network analyzer (VNWA). The goal of this masters thesis is the characterisation of tags that can be used as sensing platform for the MIP sensor and to find out if it is possible to measure these biosensors wirelessly via the tags